Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe Kohlbrügge de Wet der Tien Geboden wel terdege als regel en richtsnoer voor onzen wandel erkent en handhaaft, zagen wij hierboven. (Zie ook bijv. Bevestigende Vragen en Antwoorden bij Vragen 86 en 103, en de preek over Jez. 56:2, (Vle Twaalftal bi. 9 vv.) En als Van Lonkhuijzen er bij voegt, dat de Wet in den Catechismus gehandhaafd wordt „als geboden, niet als beloften", dan wijzen wij daarop, hoe Kohlbrügge de geboden als geboden, en hoe hij ze als beloften verstaat. (Zie boven bl. 69—73; 89—93.)

Verder gaat Van Lonkhuijzen drukken op de woorden: ernstig voornemen (Vraag 114) en maakt daarvan „plan en overleg of zorg" — wat toch niet hetzelfde is, voorts „dat wij zonder onderlaten ons benaarstigen", en voegt er bij: dus plan en streven. N. B. waar staat hier iets van plan, en moeten wij die woorden niet verbinden met het volgende: „en God bidden om de genade des Heiligen Geestes"? Eenzelfde toevoeging wordt ook gemaakt bij Vraag 122: dat wij ons leven a 1 z oo sc h i k ke n en richten, „dus: plan, overleg en streven". Vooral het laatste komt hier in 't geheel niet te pas. De Catechismus leert ons God te bidden, dat het ons gegeven worde, „ons leven, gedachten, woorden en werken alzoo te schikken en te richten, dat Gods Naam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde"; erkent dus daarbij de leiding Gods voortdurend noodig te hebben, opdat wij Gods Naam en eer op het oog hebben, en het ook in de praktijk op verheerlijking van dien Naam uitloope. Van een vooraf afgewerkt plan, langs hetwelk wij zullen werken, is hier geen sprake. Zóó ook „dat het ons gansche voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven" (Vraag 126) waarbij wederom gevoegd wordt: „dus ook plan en overleg". Van een met overleg afgewerkt plan is hier evenmin sprake, maar van deze gezindheid: Heeft God de Heere mij die groote genade bewezen, dat mij al mijne zonden vergeven zijn, hoe zoude ik dan mijn naaste die kleine schuld aan mij kunnen behouden ? Zelfs uit het enkele woordje „willen" moet het gehaald worden. In Art. 16 van Hoofdstuk i'van de Artikelen van Dordrecht wordt er gesproken van dezulken, die nochtans in den weg der godzaligheid en des geloofs niet zoo ver kunnen komen, als zij wel wilden. Ook daaruit wordt gehaald: „geen lijdelijkheid, maar plan en streven, en voortgaande heiliging". Wat echter de bedoeling is, staat in het voorgaande. Het zijn zulken, „die ernstiglijk begeeren, zich tot God te bekeeren, Hem alleen te behagen en van het lichaam des doods verlost te worden." Dr. van Lonkhuijzen

Sluiten