Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij zal het maken." (Opleiding, bl. 125—126) (De spatieering is van mij.)

Miskenning hiervan leidt Dr. van Lonkhuijzen zelfs daartoe om op ééne plaats de meening van Kohlbrügge geheel verkeerd weer te geven. In „Das Amt der Presbyter" zegt Kohlbrügge S. 56: „Versiert de voorganger de leer niet, hoe zullen zij "het „doen, die hem volgen ? Er is een zedelijke wandel, die huichelarij is, en waarbij de genade veracht wordt; deze wandel verkiert den mensch, tot hij eigenlijk zichzelven tot schande brengt. „Er is een wandel, waarbij de mensch een arm zondaar is en „blijft, maar het is er hem om te doen, dat hij de leer versiere. „Zulk een arme neemt uit de volheid van Christus, en zoo verkiert de leer hem en brengt hem tot eere". Hoe kan Van Lonkhuijzen daarvan maken: „daarom versieren niet wij deleer met een goeden wandel, maar de leer versiert ons"! (bl. 517. N. B. Van Lonkhuijzen citeert S. 62 naar den tweeden druk van 1870.)

Evenmin wordt die verantwoordelijkheid miskend, waar Kohlbrügge het van het Woord verwacht voor den opbouw en de hervorming der Kerk. „Men heeft zich sedert (de dagen der „Apostelen) vergeefsche moeite gegeven eene Gemeente door „organisaties op de been te helpen. Dat slechts het Woord van „Christus heersche, en dat elk ouderling allereerst zoeke te doen „en dan te Ieeren, wat het Woord zegt; dan gaat het met de „organisatie vanzelf, dat zij er zijn zal naar het Apostolische „Woord". (A. a. O. S. 56.) Hier wordt de organisatie volstrekt niet op zijde geschoven; maar het eerste is het Woord; en wel, merkwaardig, gaat nog zelfs het doen naar het Woord aan het leeren vooraf. Is het niet in de Hervorming der zestiende eeuw ook alzoo gegaan? Is men niet ook eerst begonnen naar het Woord te doen en te leeren, en is niet eerst daarna de hand aan de organisatie gelegd?

Te getuigen is de zaak, „een iegelijk in zijne bediening, „gij als geroepene om in liet Fondatiehuis de kinderen u toevertrouwd te onderwijzen, of zoo er geene zijn, stil te zitten, „te getuigen tegen die u omgeven, en die tot u komen, met „wandel en Woord". Zoo schrijft Kohlbrügge den 13den Maart 1836 aan Van Heumen, die bekommerd was over allerlei dingen in Kerk en Staat. Eigenaardig, dat ook hier het „in wandel" voorop staat. Alsof Kohlbrügge vooruit geweten had, dat later iemand dezen brief zou nagaan en hem van verkeerde lijdelijkheid zou beschuldigen!

Sluiten