Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„hij er niet bij is. Dat het er om gaat, dat God God blijve, „opdat de geheele wereld met al haar doen voor Hem onver„ontsehuldigbaar zij, als ik zeg, dat gij allen onder zonde zijt, „en dat gij allen in de wereld met de wereld vergaan zult, bij „wien is dat gehoor geloofd?"

In nauw verband hiermede staat de beschuldiging van geestelijken hoogmoed, vooral geuit op grond van den brief aan Da Costa uit het jaar 1833, en wel van uitdrukkingen als: „ik heb de zaligspreking mijns Heeren", „ik heb zoo van den Heere ontvangen", „ik wist van den Heere, dat mijne preek waarheid was" (bl. 186). Gaan wij ze in het verband na. Op bi. 20 (Briefwisseling) zegt Kohlbrügge: „Verstout zich echter „iemand, mij met den naam eener gruwelijke sekte te benoemen, „omdat ik, naar de Woorden Gods in Geest en in Waarheid „Christus predike en wel Dien gekruisigd, welnu, ik heb de „zaligspreking mijns Heeren, en hij zijn oordeel van den Heere „zelve, zoo hij daarin volhardt". En bl, 38: „Ben ik niet vroom, „zoo is mijn Heiland toch vroom, ben ik niet heilig, zoo is „mijn Heiland toch heilig, spreek ik als een kind, ja als een „kind, en ach! of ik maar als een kind sprak! ik spreek als van „God geleerd, gelijk ik het dan van den Heere ontvangen heb. „Heb ik het dan van den Heere ontvangen, zoo mag ik niet „handelen, als had ik het uit mijn eigen brein, als een stelsel „of gevoelen, zooals gij schrijft". Eindelijk bl. 40, waar echter Kohlbrügge niet zegt: „Dat mijne preek goed was, wist ik van den Heere"; hij zegt: „Dat mijne wijze van verklaring in de „preek goed was, wist ik van den Heere. Thans sla ik Calvijn „op, die groote man dacht er ook zoo over."

Het is hier de groote vraag: Hoe komen wij tot dekennis van Gods Waarheid in 't algemeen; hoe komen wij predikanten aan onze preeken? En hier moet ik zeggen: Wee den predikant, die slechts lezingen houdt over Gods Woord, al zijn die ook nog zoo degelijk,—beschouwingen, die zóó, maar ook eenigszins anders zouden kunnen zijn; wee hem, die niet overtuigd is door den Heiligen Geest in de Waarheid der Schrift te zijn ingeleid, die zijne preeken niet van den Heere ontvangt. Dat sluit niet uit, maar juist in: ernstig onderzoek van den tekst, — gelijk Kohlbrügge juist in de preek over Rom. 7: 14, waarover hier sprake is, zich grondt op het absolute „ik ben vleeschelijk" (en niet: voor zoover ik vleesch ben). Zoo had ook Calvijn die volle overtuiging „woorden Gods" te prediken, en eenmaal, toen de schare over zijne bestraffing boos geworden was, betuigde hij, dat hetgeen

Sluiten