Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de roomsche vierschaar brachten. De H. Vader vroeg herstel van deze nieuwe ongerechtigheid, gestapeld op de reeds overvolle maat der staufensche willekeur (1), en de Keizer had zijne goede redenen om redelijk te wezen. Want de 12de van Oktober 1243 was den keizerlijken wapenen zeer nood" lottig geweest. Als één man rukte dien dag het keizerlijk leger met onverwinbare torens, geraderde stormladders, krijgswagens, brandfakkels, slingertuig, grieksch vuur op Viterbo los; maar de belegerden, wakker pal staande bij dit gevaar, joegen den aanvallers de vlammen in het aangezicht, doken langs een geheimen weg naar de diepste rijsthoutlagen hunner gedempte en met vijanden overdekte grachten en ontketenden als uit den afgrond een zee van vuur, die de vleugelen van den keizerlijken arend zengde.

Gelijk veelal was ook nu de nederlaag besmettelijk.

Lang reeds was het bloedvergieten en godsdiensttergen velen aanzienlijken en steden tegen de borst. Alom verzwaarden doffe klanken van misnoegen onder de volken.

De geweldige Hohenstaufer ging bijwijlen met den stroom mee, om de sterkte daarvan te breken. Daarom wilde hij thans Innocentius IV te midden der vredesonderhandelingen door eene weigering niet noodeloos verbitteren. Hierbij kwam wellicht eene zekere welwillendheid jegens den generaal der Dominikanen, Johannes Teutonicus, die een vertrouwd vriend van den keizer was geweest, en wiens verkiezing tot hoofd der orde ook als een daad van verzoening der Dominikanen jegens Frederik II mocht gelden (3). De jonge graven van Aquino zouden zich dus verantwoorden, en de Predikheeren hun aanklacht voorstellen. Het dreigde een geruchtmakend proces te worden; maar de kloosterlingen, beducht voor de ergernis, die hieruit ontstaan moest, besloten de vaak tot Avreedheid overslaande rechtsoefening van Cesar te ontwijken en den loop der zaken af te wachten, doch

(1) Coram quo (Innorfntio IV) quercia proposita, quod de mandato Imperatoris tantus excessus contra Ordinem esset permissus.... Summus Pontifex perturbatus, quod quasi in ejus provincia tantus excessus fuisset commissus mandavit praedicto Imperatori, qui erat in regione propinquus, quod faceret de raptoribus dignam pro convenienti satisfactione vindictam. De Tocco, II, 9.

(2) Raumer, Gesch. der Hohenstaufen, B. IV, 103—113.

(3) Mortier, Hist. des Maitres généraux, t. I, p. 287—302; 364—366, waar ook de brief van Frederik II aan het generaal kapittel der Dominikanen in 1241.

Sluiten