Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoodigd, zijn eigen werk hebben verscheurd, toen hij den engelachtigen Leeraar eenige regelen van diens voltooiden arbeid hoorde lezen. Inderdaad is het Officie van het Allerheiligste (1), een overschoon werk waarin strenge nauwkeurigheid der Theologie zich paart aan de zachtste teederheid van het kinderlijk gebed, de opgetogenheid der eenvoudigste blijdschap aan de majesteit der liturgie. De Misgebeden en de zeven Kooruren zijn één geheel, door diepzinnige wijsheid en innige vroomheid geschapen, als eene treffende uiting der geloofsleer aangaande de H. Eucharistie en van de verheven plaats, die het ontzaglijk Geheim inneemt tusschen de schaduwen des ouden Verbonds en het zuivere licht der toekomstige Glorie. De oude typen, naast de plechtige leer der nieuwe Wet geplaatst, geven stof tot overwegen; de volle levensstroom verblijdt de stad Gods op aarde, terwijl de lietde met onuitsprekelijk verlangen en blij vertrouwen het hemelsche Sion tegemoet ziet. Gebeden, lessen, verzen, antiphonen, hymnen vloeien in de gewonde ziel als olie en wijn. De flauwhartige herleeft ervan en begint met een vertrouwenden blik den goddelij ken Samaritaan te danken. Wijsheid, vreugde, vrede; geloof, hoop en liefde; Paulus, David en de leerling, dien Jezus liefhad, leven in dit godgewijd gedicht. Geheel het Officie is een waarachtig liturgisch gebed. Niet de Heilige alleen zucht hier voor het aanschijn des Heeren; geheel de geloovige gemeenschap, de katholieke Eenheid, die hier in het stof gebogen Gods Wonderwerk aanbidt.

Toen onze Heilige ten jare 1264 zijne hymnen zong, stond de italiaansche poëzie tusschen den Lofsang aan de Zon van den serafijnschen Franciscus en Dante s Divina Commedia (2). Maar niets dichterlijkers hebben deze tijden voortgebracht dan de latijnsche hymnen der Kerk. Hoewel belemmerd door de haar

(1) S. Thom. Opp. t. XV, p. 233—239. — De Adoro 7V, zoo deemoedig smeekend, werd ook door Thomas gedicht, doch behoort niet bij het Officie.

(2) Ook elders werd in de toenmalige dominikaner kloosters de poëzie beoefend. Het is b.v. bekend, dat Eberhard van Sax en Conradvan Würzburg(\ 1287) aan den Rijn hun zachte, gevoelvolle, mystieke liederen zongen ; dat Stefanardo Vimercato in het milaneesche klooster van Sint-Eustorgius zijn rijmkroniek bewerkte: De Ces/is in civitate Mediolani; dat de gel. Ambrosius van Siena Laudese, godsdienstige volksliederen, dichtte in zijne moedertaal. (Vgl. Quétif et Echard, Script. O. P., t. I, p. 460; Greith, Die deutsche Mystik im PredigerOrden, B. III, p. 203; Marchese, Scritti, II, p. 133; fr. Gisbert, VII, n. 52, bij Boll. t. IX). Dit alles werpt nochtans weinig of geen licht op de gedichten van den H. Thomas.

Sluiten