Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eener goddelijke Openbaring, noch de innerlijke harmonie dezer hoogere waarheden of geloofsgeheimenissen met de rede wordt zonder beleediging voor het gezond verstand geloochend; overmits die mogelijkheid op den afstand tusschen den oneindigen God en ons eindig begrip, — het feit dier Openbaring op de historische zekerheid der goddelijke teekenen, — de innerlijke harmonie op de ondenkbaarheid steunt, dat God, als Schepper der natuurlijke rede, zich zeiven, als oorsprong der Openbaring, zou weerspreken.

De arabische wijsgeeren en theologen verschilden bovendien vaak in belangrijke punten van de katholieke leer omtrent God

en den mensch.

Oppervlakkig gezien had het oud-mohammedaansche Monotheïsme den schijn van een onbetwist leerstuk. Dagelijks klonk van de minaretten, wanneer de doordringende stem des moedzins tot bidden riep: God is God; daar is geen God dan God. En de scholen herhaalden officieel de heilige woorden. Intusschen bleet de zuiverheid van het Godsbegrip geenszins onbesmet. Wij zullen zwijgen van den strijd tusschen de Motazelieten, die de eigenschappen Gods als een bijvoegsel der goddelijke zelfstandigheid beschouwden, en de Motakhallim, voor wie die eigenschappen als een uitvloeisel dezer zelfstandigheid en enkel als daarbuiten bestaande schenen te gelden (1). De twist bevatte kiemen van ernstige dwalingen omtrent de Godheid, maar feitelijk werd er niet zooveel kwaads door gesticht. Andere leeringen grepen tot grooter schade om zich heen. Wij herinneren allereerst, dat het verheven leerstuk van God den Schepper van hemel en aarde, een waarheid zoo heilig voor het Christendom, door de arabische wijsgeeren bijna algemeen werd verworpen. In strijd met de rechtzinnige mohammedaansche godgeleerden, onder wie Algazel de invloedrijkste geleerde was, namen zij naast de eeuwige Godheid een eeuwige, ongeschapen stof aan (2). Bij deze dwaling kwam de neo-platonische emanatie-theorie. Daar bestond geen vrije werking Gods. Eene onmiddellijke, rechtstreeksche werking van den Oneindige op de stoffelijke wereld, die immers zoo laag en nietig en verre van het opperste Wezen neerlag, scheen

(1) Stöckl, Gesch. der Phil. des Mittelalters B. II, 178.

(2) Vgl. M. Worms, Die Lehre von der Anfanglosigkeit der Welt bei den mittelalterlichen arabischen Philosophen des Orients und ihre Bekampfung durch die arabischen Theologen (Mutakallimün) (1900).

Sluiten