Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der wezens voor God(l)? In de tweede verhandeling, besloten in het vierde boek, worden dezelfde stellingen onderzocht, doch nu in het licht der Openbaring (2), zoodat dit verheven meesterstuk tot dit allereenvoudigst plan wordt teruggebracht: wat leert de rede en wat het geloof over God in sich selven, — over God in zijn werken, — over het doel van Gods werken? Weinig minder dan vijfhonderd hoofdstukken vormen de volledige, rijke, diepzinnige, schoone ontwikkeling van dit eenvoudig en vruchtbaar plan (3). De titel: Contra Gentiles, Tegen de Ongeloovigen, belooft niets, dat het werk niet ten volle geeft. Zoowel de oudheidensche wijsbegeerte en vele ketterijen der vijf eerste eeuwen des Christendoms, als de nieuwe mohammedaansche en joodsche dwalingen worden hier bestreden. En eerlijk. De tegenstanders blijven in hun ware gedaante en oorspronkelijke kracht. Geen enkele is er vervangen door zijn verzwakt en weerloos namaaksel. Wanneer men uit de geschiedenis der wijsbegeerte heeft geleerd, hoedanig de toenmalige geestesstroomingen waren, zal men eerst goed gaan begrijpen, met hoeveel inzicht en hoe wakker de schrijver medeleefde in het leven zijner eeuw.

Overbodig ware het de verbazende geleerdheid, de diepzinnigheid en den voortreffelijken inhoud der Summa Contra Gentiles te prijzen. Wie lust gevoelt deze hoogten van wijsheid te bestijgen, hij kome en zie. Franciscus de Silvestris, de beroemde commentator dezer Summa en wien geen enkele der vele schoonheden van dit werk was ontgaan, riep eenmaal in de geestdrift

(1) C. Gent. i, 9.

(2) C. Gent. IV, i.

(3) Ziehier een overzicht van de Summa C. Gent L. I (capita 102): Deum esse. De Dei aeternitate. De Dei simplicitate. De Dei essentia. De Dei perfectione. De Dei bonitate. De Dei unitate. De Dei infinitate. De Dei intelligentia. De Dei veritate. De Dei voluntate. De Dei vita. De Dei beatitudine. — L. II (cc. 101): — De Dei potentia. De Dei relationibus ad creaturas. De creatione in genere. De aeternitate mundi. De distinctione rerum. De substantiis intellectualibus. De unione animae et corporis. De intellectu. De anima. De substantiis separatis. — L. III (cc. 163): — De intentione agentis. De bono et malo. De fine rerum. De fine et felicitate hominis. De contemplatione Dei. De providentia Dei. De miraculis et mirabilibus. De lege divina. De gratia divina. — L. IV (cc. 97): — De Sancta Trinitate. De Incarnatione Dei. De Sacramentis. De vita aeterna. — Over de lezing non in C, Gent. I, 13, zie S. Weber, Der Gottesbeweis aus der Bewegung bei Thomas von Aquin (1902) en Rev. Néoscol. 1902, p. 415—416.

Sluiten