Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijsgeerige wetenschap is hiermee niet buiten kijf. Meer dan in dien bevalligen, verheven, weisprekenden stijl vindt de denkkracht voedsel in de nauwkeurige, duidelijke, bondige, kernige taal van Aristoteles (1), die overigens attische keurigheid niet versmaadt en door Tullius een bevallig prozaschrijver genoemd wordt. Deze drievoudige meerderheid van den peripateticus in de grondslagen, in de voorstelling en in den stijl zijner wijsgeerige denkbeelden, rechtvaardigt Thomas' levendige waardeering van den grooten denker, dien Dante als den Prins der oude Wijzen begroet (2).

Thomas eerde Aristoteles oprecht, maar redelijk. Daarom verzaakte hij nooit de zelfstandigheid en de onbevangenheid van een waarachtig wijsgeerigen geest. Aristoteles was hem een wijze, dien men hooren moest; doch hij was de eenige niet. De thomistische werken vloeien over van wijsgeerige denkbeelden en bewijsvoeringen, die uitgebreide kennis en juiste schatting van allerlei oude en nieuwe schrijvers verraden. Van het boek De Causis, door hem aan den neoplatonist Proclus (f 485) toegeschreven, vervaardigde de Aquiner een kommentaar; zijn plan om van Plato's Timeus eene verklaring te schrijven werd alleen door den dood verijdeld (3). Verder kennen wij allen zijne toeeigening van Plato's spreuk: Socrates is wel mijn vriend, maar dierbaarder is mij de waarheid (4); elders leert hij, dat de uitspraken der wijsgeeren niet worden aanvaard op gezag, maar om den geleverden bewijsgrond (5); verder, dat iemand geen wijsbegeerte bestudeert, om te weten welke meeningen er bestaan hebben, maar om inzicht der waarheid (6). Recht in de lijn van den grooten leermeester Albertus, die aristotelischen dwepers

(1) Phys. L. VII, 6; De Coelo et Mundo, lect. 17. Vgl. Talamo, 1'Aristotelismo etc. P. II, c. 6—7.

(2) Inf. c. IV.

Poi che innalzai un poco piu le ciglia,

Vidi il maestro di color che sanno Seder tra filosofica famiglia.

Tutti Pammiran, tutti onor gli fanno.

(3) Vgl. S. Thom. In I de Anima, lect. 2; Opusc. De substantiis separatis, Proöemium en cap. 2; Metaph. I, 10; De potentia IV, 1; Summa theol. II. II, 152, 2 etc. Quétif et Echard, I, 287.

(4) S. Thom. Ethic. I, 6.

(5) Super Boet., De Trinit. II, 3.

(6) In I de Caelo, lect. 22. — Vgl. in Phys. VIII, 3; Summa theol. I. II, 97,1.

Sluiten