Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ter sprake en op tweederlei wijze. Want somtijds is meer arbeid „meer loon waardig, bijzonder wat de kwijtschelding van straffen „betreft, wanneer iemand b.v. langduriger vast of verder ter „bedevaart trekt; ook verdient meer arbeid meer vreugde, gelijk „het boek der Wijsheid zegt, dat God den gerechtigen het loon „van hunnen arbeid schonk. Bijwijlen nochtans wordt de arbeid „grooter door zwakte van wil: want wat wij naar onzen eigen „wil doen, daarin worden wij minder van den arbeid gewaar. „En zulk een grootere arbeid zal het loon niet vermeerderen, „maar verminderen. De profeet immers zegt: sij stijgen op met „■vleugelen als de arenden, sij loopen en worden niet moede, „sij wandelen en worden niet mat (1)."

Hierna worden deze paulinistische leeringen ontwikkeld: hoe ieder, zoo het werk, dat hij heeft opgebouwd, blijft, loon zal erlangen; in welken zin de wijsheid dezer wereld dwaasheid is bij God; hoe wij niet moeten oordeelen vóór den tijd, tot de Heer komt, die èn het verborgene der duisternis aan het licht brengen èn de raadslagen der harten openbaren zal, en dat alsdan aan een iegelijk de lof zal geworden van God; eindelijk, hoe de Apostel schrijft: „als een uitvaagsel der wereld zijn wij geworden, van allen een voetwisch tot nu toe." — „Tot nu toe, „— zegt de heiligé commentator — doch eenmaal zal hieraan „een einde komen, wanneer de zondaren zeggen zullen: dezen „zijn het, die wij eertijds bespotten en tot een voorwerp maakten „van schimp: en dan uitroepen: hoe worden sij thans gerekend „onder de kinderen Gods (2)."

Een ander aandenken aan Thomas' leerambt in dit tijdvak is zijn Kommentaar op het St.Johannes-Evangelie.

De Heilige heeft van dezen kommentaar alleen de vijf eerste hoofdstukken zelf geschreven. Toch beschouwt men hem met reden als den vervaardiger van het geheel. Want Reginaldus, de trouwe socius boekte het overige naar de lessen des meesters, die het werk van zijnen begaafden leerling zelf herzag en verbe-

praemium metaphorice corona dicitur, vel aurea; — de aureola zelve is quoddam privilegiatum praemium, privilegiatae victoriae respondens. Zie In IV Sent. XLIX, quaest. V.

(1) S. Thom. In I Cor. III, lect. 2. — Jer. XXXI; Gen. XV; Luc. XV; Joan. X; Job XXII; Is. XXVIII; Matth. XX; Dan. XII; Joan. XIV; Ps. CXXVII; II Cor. IV; Joan. XIV; Sap. X; Isaias XL.

(2) S. Thom. In I Cor. IV, lect. 2.

Sluiten