Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij kerken en kloosters, was overmild voor zijn arme medemenschen en diende vaak bedelaars en ellendige kranken met eigen hand. Zoo beminde hij God en de menschen; zocht het goede en vermeed het kwaad. De Christus was zijn voorbeeld; het leven van zijn geloof, zijne hoop en liefde; de Koning zijns harten. De fransche koningskroon viel in het stof, maar in Gods Kerk, wier trouwe zoon de H. Lodewijk was, schitteren zijne deugden en zijne ziel leeft in het hemelsch Paradijs (1).

Het was een droevig jaar, toen deze uitmuntende vorst zijn land verliet, voor immer.

Van stad tot stad, van burcht tot burcht, klonk door Frankrijk de heilige wapenkreet; een naklank uit lang vervlogen dagen, toen Urbanus II en Peter van Amiens den donder vernamen van het verheven: God wil het; toen Sint-Bernard in de domkerk van Spiers den Rijn tot den heiligen oorlog opriep, en in vervoering voor Jezus' maagdelijke Moeder, bij het smeeklied: Salve Regina dat teeder slotakkoord voegde: o clemens, o pia, o dulcis virgo Maria. De zonen van Clovis en Charlemagne togen naar Tunis om er met hun koning het triomfeeren van den muzelmanschen standaard te stuiten.

Den 14den Maart van het jaar onzes Heeren 1270 begaf zich de dappere vorst naar St. Denis, de eeuwenoude abdij. Zijne rijkszaken waren geregeld. De pauselijke legaat schonk hem den pelgrimsstaf; van den abt ontving hij de rijksvaan. Dag van edelmoedigheid! van benijdenswaardige liefde voor Hem, die het kruis en een doornenkrans droeg! maar ook, dag van rouw en naderend lijden! — Den 15 Maaft zag de koning nog eenmaal zijne stad Parijs, 's Morgens daarna zeide hij te Yincennes een laatst vaarwel aan Margaretha, die in tranen wegsmolt: de koningin zou den trouwen koning niet wederzien. De beste der vorsten ontsliep in God den 25 Augustus van datzelfde jaar. In den nacht voor zijnen dood zuchtte de stervende: „O Jeruzalem!

(i) In zijn Testament liet de H. Lodewijk zijnen zoon onder andere schoone lessen ook deze na: Chier fiuz, je t'enseigne, que tu soies tousjours devot k 1'eglise de Rome, et au souverain Evesque, nostre pere, c'est le Pape : et i porte reverence, et enneur, si comme tu dois fere & ton Pere espirituel. — Vgl. Boll. XXXIX, 514.

Sluiten