Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. Deze uiteenzettingen betreffen wijsgeerig-godgeleerde werken, waaraan de Middeleeuwen groot gezag toekenden.

Belangwekkend voor ons is allereerst op een aan Anicius Boëtius (470—426) toegeschreven boek Over de Drievuldigheid (1). Het wordt betwijfeld, of de wijze patriciër en consul, die later bij koning Theodorik in ongenade viel, dit traktaat geschreven heeft; maar onafhankelijk van Boëtius' auteurschap bezitten wij in Thomas' kommentaar een schoon betoog over weten en gelooven en over de beginselen, waarnaar wij over de verhouding tusschen geloof en rede moeten oordeelen. Van de leer der H. Drievuldigheid is in den kommentaar weinig sprake.

Zes hoofdstukken of quaestiones, ieder in vier artikelen gesplitst; bij elk artikel eerst bedenkingen, daarna verdediging van eigen stelling, eindelijk antwoord op de voorgedragen bedenkingen, ziedaar de techniek van het geschrift (2). De verklaring wordt ingeleid door een schets van 's menschen kenvermogen ten opzichte der natuurlijke en der bovennatuurlijke waarheid.

„Bezwaard — zegt de Aquiner — door onze lichamelijke bewerkelijkheid, kan de natuurlijke blik van 's menschen verstand „zich niet vestigen op der waarheid eerste lichtbron, waarin „alle dingen zeer kenbaar zijn; dus moet onze natuurlijkedenk„ kracht van het uitwerksel tot de oorzaak, van de schepselen „tot God gaan. Zoo zegt de H. Paulus: het onzichtbare van Hem „wordt, van de schepping der wereld, uit de werken verstaan „en gezien ; en het boek der Wijsheid \ uit de grootheid en schoon„heid van het geschapene kan de Schepper daarvan klaarblijkelijk verstaan worden; en Job: heel het menschdom staart er „op, ieder siet het van verre. Nu ligt er tusschen de schepselen, „waardoor onze natuurlijke kracht God kent, en God zeiven „een oneindige afstand. Daar dus het oog omtrent verre voorwerpen lichtelijk dwaalt, vervallen de schepselen bij het streven „naar de wetenschap Gods in dwalingen, waarom de H. Schrift „de schepselen een valstrik voor de voeten der dwazen noemt,

(1) De Rubeis, Dissert. crit. VIII, 4; Ptol. Luc. H. E. XXIII, 14; de Tocco, IV, 18.

(2) De zes hoofdstukken zijn deze: De divinorum cognitione. — De manifestatione divinae cognitionis. — De his quae pertinent ad cognitionem fidei. — De his quae ad causam pluralitatis pertinent. — De divisione speculativae scientiae. — De modis quos speculativae scientiae attribuit (Boëtius).

Sluiten