Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en willen, met zijn goede en kwade neigingen, met zijn krachten in de orde der natuur en zijne verheffing tot een bovennatuurlijk leven door Gods genade; de hoogere leiding des Hemels, die zich uitstrekt over geheel ons aardsch bestaan en ons naar waarde zal vergelden aan gene zijde des grafs; het uitzicht op het zaligend aanschouwen des Oneindigen, dat de godvreezenden wacht en het oordeel, dat de goddeloozen dreigt; de toekomende opstanding en het erfelijk kwaad, dat onze natuur sedert den zondeval aankleeft, — deze vraagstukken vormen den overgang tot een volledige reeks betoogen over Christus' menschwording, leven, lijden, sterven en zegepraal. Eenige beschouwingen over den Godmensch, als Rechter van levenden en dooden ten oordeel gezeten, sluiten het eerste deel van het Compendium. Men zou de methode van dit theologisch werk het tegenovergestelde der Quaestiones disputatae kunnen noemen: daar is een allerbreedste, hier een uiterst beknopte bewerking; daar een ontwikkeling aller wetenschappelijke krachten, hier een beperking tot het allernoodzakelijkste beoogd. Niet dikwerf heeft een tegenstander het woord; de strenge scholastieke vormen schijnen hier in een gemoedelijken eenvoud van voordracht over te gaan. Tegenover Thomas' groote theologische scheppingen zoudt gij dit geschrift eene miniatuur noemen, doch eene miniatuur, wier fijnheid en zuiverheid van kleuren en lijnen duidelijk verraadt, welk een meesterhand het penseel heeft gevoerd.

Het tweede deel van het Compendium handelt in eenige hoofdstukken over het gebed; daarna over de woorden: Onze Vader, — die in de hemelen sijt, — geheiligd 2ij uw naam. — Bij de tweede vraag over het gebed des Heeren: laat toekomen uw rijk.' richt de Heilige zijne blikken naar het hemelsch vaderland. Wij zien hem uitweiden over de toekomende glorie, en erkennen aan de stem zijns harten, waar zijn schat is.

„Den Heiligen wordt onder zeker opzicht een volmaakte kennis

„(comprehensio) van God toegezegd Terwijl wij nog wonen

„in het lichaam, zijn wij nog verwijderd van den Heer; want „wij wandelen in geloof en niet in aanschouwing (1), en aldus is „ons streven naar Hem als naar iets wat verre ligt. Doch wanneer „wij in aanschouwing zien, zullen wij Hem als tegenwoordig „bezitten, gelijk de bruid van het Hooglied, zoekende dien hare

(1) II Kor. V, 6.

Sluiten