Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorbij, toen hij vroeg: Wat is God?(l) Nadien had hij wetenschap en aanbidding gezocht; maar in beide was liefde. Liefde was de wetenschap en wat met hare beoefening verband houdt; immers kon hij getuigen: vooral de studie der wijsheid verbindt door vriendschap met God (2). Liefde was het bidden, en hij zeide: vooral dit moeten wij vragen in het gebed, dat wij worden vereenigd met God, volgens den psalm: Eéne zaak heb ik den Heer gevraagd; naar die zal ik streven: te wonen in 's Heeren huis alle dagen mijns levens (3). Waar kon de jonge liefde van het Hooglied zich rijker vergeestelijken dan in zulk eene ziel, staande op den drempel des eeuwigen levens ? De Cisterciënsers vroegen derhalve met reden, dat de Heilige zou spreken over het symbolische Lied. Doch vermoedelijk kon de al verzwakkende pelgrim toen alleen eene beknopte verklaring geven van eenige plaatsen (4). Het is echter geheel zeker, dat Thomas vroeger een kommentaar op het Boek der Gezangen geschreven heeft. Als toepasselijk voor dezen laatsten levenstijd, nu hij de ongeschapen wijsheid toeriep: Laat mij hooren uwe stem! want uw stem is zoet, en uw gelaat zoo bekoorlijk; vertalen wij hier eene enkele bladzijde van dien vroegeren kommentaar en wel de verklaring bij Hooglied I, 4: Wij juichen, wij verheugen ons in u! uwe liefde gedachtig meer dan den wijn. Uit deze vreugde bij het herdenken blijkt, dat er geen teleurstelling uit de gesmaakte blijdschap volgde. „Dit toch is het onderscheid tusschen de zinnelijke en „de geestelijke goederen, dat de zinnelijke, voor men ze verwerft, „groot schijnen, maar gelijk Sint-Augustinus en Aristoteles „zeëSent zoodra men ze bezit, in waarde dalen, zoodat ieder bij „het erlangen der zinnelijke goederen door teleurstelling wordt „getroffen. Dit geldt niet van de geestelijke goederen; wie ze „bezit, wordt er al meer en meer door geboeid, allermeest, door „het opperste Goed, dat God zelf is. De oorzaak, dat de zinnelijke „goederen deze kortstondige vreugde en deze teleurstelling baren,

(1) Zie boven bl. 16.

(2) C. Gent. I, i: Sapientiae studium praecipue Deo per amicitiam conjungit.

(3) Summa theol. II. II, 83, 1 ad 2: hoe praecipue est in oratione petendum, ut Deo uniamur; secundum illud Psalm.: Unam petii a Domino, hanc requiram: ut inhabitem in domo Domini omnibus diebus vitae meae. — Ps. XXVI, 4.

(4) De Tocco, X, 58: rogatus ab aliquibus monachis, qui capere poterant, ut aliquid memoriale suae scientiae eis in fine relinqu^et, breviter eis exposuit Cantica Canticorum.

Sluiten