Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zijn toestand tot bevordering- van het evangelie gekomen is. Deze tegenwerping voorziet hij en daarom vraagt hij: xt' = wat dan, wat doet het toch ter zake? Zoo wijst xt yao ook op eene tegenwerping Rom. 3: 3. IIay(v oxt = behalve dat, in elk geval. De verbinding van xt ydtp ~Xy(v oxt = „wat is het behalve dat geeft geenen zin en is grammatisch niet gerechtvaardigd. Zulk eene opeenvolging van conjuncties zou al zeer vreemd zijn. Blijkens den kritischen apparaat gaf 7tX>(v oxt al vroeg bezwaar en liet men een van beiden weg. B laat izkfy weg. Las men alleen oxt xxs. (= dat op allerlei wijzen enz.), dan zou het eenen goeden zin geven. Doch hoe zou men dan ttAy.v hebben ingevoegd? Alleen irXy(v = maar (zonder oxt) zou ook verstaanbaar zijn. Maar waarom zou men dan oxt hebben ingevoegd? Christus wordt op allerlei wijzen, hetzij met schijn (~po'fdbst = schijn, voorwendsel, bijoogmerken), hetzij in of met waarheid (= subjectieve waarheid, ware, edele bedoelingen) verkondigd. En daarover verblijd ik mij, ja ik zal mij ook verblijden, zegt Paulus. Xottpstv staat hier met sv xtvt, waarvoor wij den eenvoudigen Dat of £-t xtvt verwachten zouden. "Ev xtvt duidt hier de oorzaak aan, waarom men zich verheugt. Zoo keert de apostel tot zijn punt van uitgang van vs. 12 terug '). — Niet alleen het heden geeft Paulus aanleiding zich te verblijden, maar ook de toekomst, die hem, hoe zij ook uit moge vallen, tot vreugde zal verstrekken. Heeft de apostel tevoren gedacht aan de bevordering van het evangelie, thans denkt hij aan zijne eigene zaligheid Waarop zijn blijdschap voor de toekomst rust, zegt Paulus vs. 19: want ik weet, dat dit of mijn tegenwoordige toestand mij tot zaligheid strekken zal. Vgl. bij diropYjOexat si; awxY(io:av Job 13: 16 (xoOxo jiot aito^/josxott ït; awxY^tav) en Lk. 21: 13. De ou)XY(tot'a ziet niet op Paulus' bevrijding uit de gevangenschap, want zoo gebruikt hij <j(oxY]pta niet en blijkens vs. 20 was hij niet van zijne bevrijding zeker. Paulus is zich bewust, dat hem niets wedervaren kan. wat niet tot zijne zaligheid moet strekken. Gods hand erkent hij

') De bezwaren van Holsten (J. f. prot. Theol. 1875, 1876), dat Pauius 1: 14—19 niet zou kunnen geschreven hebben, zijn voldoende wederlegd door J. Ckamer (N. Bijdr. 1879, bi* 34—44)* W. Brücknek (Die chronologische Reihenfolge u. s. w., 1890, S. 218) meent, dat Paulus 1:18 niet kan geschreven hebben , en houdt dit vers voor geïnterpoleerd. Vs. 19 evenwel past niet bij vs. 17. De fout bij Holsten en Bkücknek is hierin gelegen , dat zij de personen uit Paulus omgeving van 1: 17 verwarren met de dwaalleera\rs in Filippi van 3: 2.

Sluiten