Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goddelijke macht of heerlijkheid op aarde bezeten, maar ze gewoonlijk daar niet geopenbaard. M&p-fr, evenwel is wezenlijke gestalte of vorm, en deze Fop'f>( fisoO bezat Christus op aarde toch met. Ook is sV.svwasv éatmJv niet: Hij bedekte, maar Hij ontledigde zich, ontdeed zich daarvan. Mop'^ is de vorm, die aan ons wezen eigen is, syn. etöo;, de vorm als uiterlijk waarneembare verschijning. Dan. 4; 33 heeft Theodotion 7; fjiopcp-/( fxou sreoTps^ev 37: ep3, waar de LXX r( oo;a a-soo?>r( jxot leest. Zoo grenst ook hier OsoD aan o<J=a f>eoö = nin; 1133. Evenals de Wr,

00ÓA00 den vorm of de verhouding van den slaaf aanduidt als kenmerk van zijnen stand of van de verhouding, waarin hij tot zijnen heer staat, zoo is Wr, flsoO de Goddelijke vorm als de uitdrukking van den Goddelijken stand of de betrekking, waarin de praeëxistente Zoon tot den Vader stond, zijne Goddelijke eerlijkheid. \ gl. Joh. 17: 5. Als de praeëxistente had Christus heerlijkheid en vrijheid, was Hij niet gebonden en verkeerde dus in eenen geheel anderen toestand dan toen Hij de gedaante van eenen slaaf aannam en gehoorzaam werd tot den dood. Zoo is ev n^zrj dsoO urapjrujv wel niet identisch met, maar staat toch parallel met <ov sixtov tou ftsou (Kol 1: i5). Men kan hier ook wijzen op Hebr. 1: 3 tov ir.aóya3pa r?J? ofy; zat /apazr^p -y UTtooidosu); auxoD. — 'V-%/Wv, Impf., = hoewel, niet daar of terwijl Hij was. — Tb stvat «ja Oew is óf voor identisch verklaard met ev {xop'f») ftêoO órApyiov óf daarvan onderscheiden als de macht als heerscher, welke Jezus verkreeg als loon na zijne vernedering, terwijl Hij in zijne praeëxistentie die macht niet bezat. A\ ij kiezen het laatste. Bij de verklaring van ib stvat tact f)sto bedenke men, dat er niet feov staat, wat op wezensgelijkheid zou wijzen. Immers de praeëxistente Christus kon zijn wezen met opgeven. Zelfs God kan dat niet doen. "ba staat Openb. 21:16 van maat, hier van eenen rang of toestand; er is gedacht aan het in rang en toestand gelijk zijn aan God. Het stvat tsa fht» vloeide voort uit het Év wr} Daar de praeëxistente

Christus den bestaansvorm, het wezen Gods had, was Hij in rang Hem gelijk. — 'Ap-ayjió; komt in het zg. Bijbelsche Gneksch alleen hier voor. In het gewone Grieksch vinden wij iet Plut. Mor. p. i2 A (xbv sz |\za^svov apra-^v) in een zin van rooven (ap-ayr,, apraofxcl;). De transitieve beteekenis

Sluiten