Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 295. w gaat verloren in de verbinding sw en hw in. ziït zoet, zok zulk, lui hoe, hüstd hoesten Zie § 158, 159.

§ 296. I is uitgevallen in: zok zulk, hok hoedanig as als. Zie § 167.

§ 297. n in toonlooze lettergreep valt weg voor s en voor t, en in auslaut. Bv. kükes kuikens, övgt avond, gëva geven enz. Zie § 181.

§ 298. n valt weg voor * in; breX hij brengt, deX hij denkt, dox mjj dunkt. Waarschijnlijk hebben we hierin analogiewerking te zien van het praeteritum, orax bracht, etc. Zie § 181.

§ 299. t valt weg na en voor sin: lests laatste, les, lesttf laatst, best9 beste, böstf borstel, fas^öv^t vastenavond. Zie § 195. aanm.

§ 300. d in inlaut tusschen vokalen voor volgende

l' r' m is verloren gegaun. Bv. bnl buidel, ögr ader brïï%r broeder, enz. Zie § 205.

Op deze regel zijn echter eenige uitzonderingen, waarin de samengetrokken vorm nooit voorkomt. Zie' § 205. Aanm. 1, 2, 3.

§ 301. h in inlaut tusschen vokalen viel uit. Bv. slon slaan, stol staal enz. Zie § 230.

f• Afval van Konsonant.

§ 302. t, d in auslaut valt af na spirant en na explosieve. Bv. Iets, les laatst, dos dorst, vus vuist,

T^2i2tP ^ ki;jkt' Z"P ZU,pt' eDZ*

t bleef na vokaal, halfvokaal, liquida en nasaal. Bv.

Sluiten