Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

313. Een datief-suffix voor de datiefverhouding vinden we niet meer. In een enkele uitdrukking kunnen we nog z'n sporen zien. Bv. vanda% van daag, opt%nbalk%n op de zolderbalken. De voorafgaande praepositie met het artikel of het pronomen zijn de dragers geworden van het datiefbegrip.

b. Pluralis.

Ook hier zijn de suffixen ter onderscheiding van de naamvallen verloren gegaan. Het substantief verschijnt in alle naamvallen in de vorm van de nominatief. In de nominatiefvorm zijn de vroegere klanken ter aanduiding van het meervoud nog wel te herkennen. Maar met het verloren gaan der klasse-onderscheiding heeft een indeeling naar klassen geen zin meer.

§ 314. We kennen in dit dialect de volgende meervoudsaanduidingen:

1) De umlaut, uit Wgerm. -i, zooals die voorkomt bjj de langsilbige mannelijke -i en -h stammen. Bv. OS. thermi darmen, wurmt wormen, thorni dorens.

2) -a, uit Wgerm. -a, bij de eensilbige -a en -o stammen, uit -i bjj de kortsilbige -i en de -u stammen. Bv. O.S. stena naast stenas steenen, saka zaken, quala kwalen, bruki breuken, lidi leden. En uit Wgerm. -an, -on, -un bij zwakke substantiva Deze uitgangen waren oorspronkelijk stamvormende elementen, maar werden, daar zij afgevallen waren in de sg., later als teeken ter aanduiding van de pluralis aangewend Bv. O.S. namön, •un, an namen, tungun, -on, -an tongen, ögun, -om oogen.

Sluiten