Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de armoede van anderen iets aan te trekken. „De gevoelloosheid der bezitters," „de teugellooze hebzucht," „de alles verslindende woeker" zagen er niet tegen op „de massa's van het proletariaat een juk op te leggen, dat slechts weinig van dat der slaven verschilt."

45. Eene tweede oorzaak ligt in de teugellooze concurrentie.

Een verkeerd begrepen vrijheid werd grondslag van

het economische leven, waardoor de werking van het kapitalisme in zijn slechte beteekenis, geen hinderpaal ontmoette. Alle banden werden losgemaakt. Het individu werd tegenover het individu geplaatst, vrij maar onbeschermd, ieder aan zijn krachten overgelaten, om nu maar te wedijveren, wie het eerst rijk zou zijn. Dat heette gelijkheid, doch daar de krachten verschilden, was het de grootste ongelijkheid. Die teugellooze concurrentie deed de kleine bedrijven voor de grootere ondergaan en maakte het verschil tusschen rijk en arm steeds voelbaarder. De geldbezitters behielden zich allen invloed op het staatsbestuur voor, en de wetgeving billijkte de volkomen vrijheid, ja wettigde daarvan het 'misbruik door afschaffing der woekerwetten, opheffing der gilden, weigering van bescherming der economisch zwakken, zonder acht te slaan op het algemeen welzijn. En het kapitalisme was gewetenloos genoeg om misbruik te maken. Daardoor kwamen die „wanverhoudingen, ten gevolge waarvan ontelbare menschen een ellendig en onwaardig bestaan leiden."

46. Een derde oorzaak ligt in het verval van godsdienst en zedelijkheid.

Sluiten