Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De intracellulaire beweging houdt op na toevoeging van chinineoplossing. Uit het ontbreken van deze cellen in andere sputa en het therapeutisch effect van inhalaties met een chinineoplossing besluit hij tot het bestaan van een pathogenetisch verband tusschen deze cellen en de ziekte.

In 187H vond Le tzerich's onderzoek een verdediger in Tschamer (9), die eveneens den kinkhoest houdt voor een mycose van het slijmvlies der luchtwegen, analoog aan de huidmycosen, favus enz. In andere sputa dan die van kinkhoest zag hij deze schimmels nooit. Hij vestigt vooral de aandacht op de speldeknopgroote, witte of geelwitte lichaampjes in het sputum, waardoor het reeds macroscopisch als van kinkhoest afkomstig te herkennen is.

De kinkhoestschimmel op verschillende media kweekende, trof hem de overeenkomst met het Capnodium Citri, dat bijna op iederen sinaasappel en op vele appels als zwartbruine puntjes groeit. Door inademing van zulk een gepulveriseerde sinaasappelschimmel is het hem gelukt zich zelf en een anderen volwassene een krampachtigen hoest te bezorgen; in hun sputum bevonden zich toen de te voren er in ontbrekende lichaampjes en schimmels, hoewel niet in die hoeveelheid als bij kinkhoest.

Later (10) komt hij over den vorm van de schimmel tot een ander inzicht dan Letzerich. Op andere media de sporen vervolgend, merkte hij verschillende vormen op; sommige geleken op Oidium (d. i. het vroeger beschreven Capnodium Citri), andere op Ustilago Maidis. De ontwikkeling, zooals Letzerich die beschrijft, zag hij slechts zelden.

Birch-Hirschfeld (11) controleerde ook Letzerich's werk. Hij hield het spinneweb van draden voor zoogloeahoopen van bacteriën en kettingbacteriën; der-

Sluiten