Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan met den verwekker van de ziekte te doen te hebben.

Culturen heeft hij niet aangelegd, evenmin dierproeven verricht. Koch (14) laat zich dan ook in zyn referaat zeer sceptisch over deze bewering uit, en G a r r é (22), die dezelfde staafjes ook in andere sputa aantrof, vond, dat ze zich in cultuur als saprophyten voordeden.

Eveneens van weinig belang, omdat ze hun bacteriën niet kweekten, zijn de onderzoekingen van Moncorvo en Silva Aronja (15,16). Zij troffen dikwijls in de geelachtige lichaampjes van het sputum zoogloeahoopen van micrococcen aan, soms met eigenbeweging; nooit zagen zy echter Burger's bacillen, noch Tschamer's mycelium.

Behalve in het sputum zag Broadbent (17) deze micrococcen, in groepen of kettingen, ook in de epitheliumcellen van larynx en pharynx.

De eerste, die volgens onze moderne methoden het kinkhoestsputum onderzocht, was Afanassjew (23).

Het meest in de latere stadia der ziekte, vooral waar pneumonie die compliceert, zag hij in het met gentianaviolet gekleurde sputum een massa korte staafjes, 0,6 — 2,2 lang, doorgaans afzonderlijk gelegen, soms twee aan twee, in korte kettingen of in groepen, zelden ook in de cellen.

Van een klein sputumvlokje legde hy met vleeschpepton-agar en vleesch-pepton-gelei plaatculturen aan. Op agar zag hy na 2-3 dagen bij kamertemperatuur de bovenbeschreven bacillen in lichtbruine, ronde of ovale kolonies met fijne, gladde, vrij platte randen. De jongste kolonies zyn bijna kleurloos, de ovale meestal in het midden sterker gekleurd. Van korreligheid is weinig te zien. Bij 37° is hun groei veel sneller; op gelatine en bloedserum groeien de bacillen langzamer, gelatine wordt niet vloeibaar gemaakt.

Sluiten