Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezit volgens Aristoteles. Want we hebben hier niet te doen met wat is, of wat geschiedt, maar met wat behoort te zijn. Het is dus niet zooals prof. Scholten het voorstelt, dat Aristoteles uitgaande van de ervaring, niet verder kwam dan tot de waarneming van hetgeen nuttig en schadelijk voor den mensch is, en tot het begrip van de deugd als het juiste midden tusschen twee ondeugden.

De idee van het midden is een maatstaf van goed en kwaad, die alleen vertrouwbaar is in de handen van een deskundige, d. i. de deugdzame. De maatstaf van goed en kwaad bezit hij in zijn Sz&o; xiyoq. De rede bestaat uit principia, die voor allen gelden, ook voor de Godheid, die enkel voüc is. Zoo o. a. dit principe, dat het meest zelfgenoegzame en onafhankelijke leven de grootste mate van geluk biedt. Ook kent Aristoteles op zedelijk gebied eigenschappen aan den mensch toe, die zijne waarde uitmaken. Hij bestempelt die steeds met den naam rö xxKov. En zoo weinig is Aristoteles empirist, dat, als de keuze gaat tusschen een leven met of zonder genot, hij onbewimpeld het laatste kiest, wanneer plichtsvervulling zulks eischt. Hij zegt: Deugden zooals dapperheid, matigheid e. a. zouden wij toch verkiezen, ook al brachten ze geen genot mede. (Eth. Nic. X, c 3, 1174, a, 16.)

Het empirisch standpunt bestaat daarin, dat men aanneemt, dat zedelijke eischen ons van buiten af gesteld worden. Maar Aristoteles leert duidelijk, dat wij eene zedelijke natuur hebben, die eischt dat wij naar de stem der rede luisteren, want hij zegt: "Etrriv xpx ij aptrit irpoxiperixii èv [terÓTijTi ouax rij trpoc 7

üpiirnévtt Kóry xx) au; xv i cppivi/iog op'ureiev d. i.: het pad der deugd is eene gewoonte, die gewild wordt en waarbij wij het rechte midden houden tusschen een te veel en een te weinig, maar het is bepaald door de rede en het loopt, zooals de redelijke mensch het afbakent. (Eth. Nic. II c 6 p. 1107, a, 11.)

Sluiten