Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar beschavingswerk opnieuw aan te vangen. Hij zegt: ,itx) kxtx

to elkoi ttikxxms ejpyusvvis fu to 3uvxtov ikocit/j; kxl té%vqc kx) CptXo-

aoQixq xx) vxXiv Qöeipopsvuv ttx) txvtx; tx? Sfêxi Itulvuv oïov fatyxvx irepitrsvxvöxt (ts%pi toïi vvv", d. i. „het lijkt waarschijnlijk, dat alle kunsten en wetenschappen meermalen zoo ver zulks mogelijk was uitgevonden en weder verloren gegaan zijn en dat de meeningen der ouden als eene soort van antiquiteiten tot op heden bewaard zijn." (Metaph. XI c. 8, p. 1074, b, 39). In het Grieksche volk, dat den moed der Europeesche en het verstand der Aziatische volken in zich vereenigt, ziet Aristoteles den hoogsten trap van ontwikkeling der menschheid. De staat is bij hem een organisme, evenals het individu, „cirri Ss xohiteix iróxeuq txtjig tüv ts x\},uv xpxüv kx) [MxhiaTx rijs xupixs irxvTuv, d. i. de regeeringsvorm is een ordening, naar welke de machten ia 't algemeen en in 't bijzonder de souvereine macht ingericht is." (Polit. III, c. 6, p. 1278, a, 4). Beide, de staat en het individu, hebben een gelijk doel n.1. hun hoogste goed te zoeken in het handelen, dat zichzelf bevredigt. Wat men thans noemt het imperialisme, is volgens Aristoteles de dood voor een staat. Zijne taak ligt niet buiten maar binnen zijn gebied, n.1. in de vreedzame ontplooiing van alle krachten tot een geheel, dat evenals God zelfgenoegzaam is. Op dezen grond is Aristoteles een voorstander van de leer der staatsalmacht, en eischt hij van het individu volkomene onderwerping aan de gemeenschap.

Aan den Staat komt de prioriteit toe ten opzichte van het individu, want in alle organismen is het geheel logisch eer dan de deelen. Men denke slechts aan het beeld, dat uit de marmerzuil wordt gehouwen en dat reeds lang te voren bestaat in den geest des beeldhouwers. In den tijd gaat echter het deel aan het geheel en dus ook de mensch aan den staat vooraf. Dat Aristoteles aan den Staat eene dwingende macht toekent, geschiedt dus enkel, omdat de rede dit eischt.

Toch geniet het individu bij deze opvatting eene groote mate van

Sluiten