Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schwarz (Preisschrift) geeft het eerst scherper opgaven.

Langs optischen weg vond hij bij 159.7° den overgang rhombisch —^ hexagonaal-rhomboëdrisch bij stijgende temperatuur, en dalend het omgekeerde bij 159.2°.

Hissink (Zeitschr. f. Phys. Chem. 1900. 32 p. 551) vond langs thermischen weg als de meest waarschijnlijke temperatuur voor het overgangspunt 159.8° bij warmtetoevoer, en Zawidzki (Zeitschr. f. Phys. Chem. 1904. 47 p. 724) geeft op 159.6°.

Het smeltpunt van Ag I is bepaald op verschillende wijzen.

Volgens het laatste onderzoek van Steger is het 526° (Zeitschr. f. Phys. Chem. 1903. 43 p. 601).

De kristalvorm van Ag I bij gewone temperatuur wordt door Des Cloiseaux (Ann. Ch. Phys. 1854 [3] 40 p. 85) het eerst als hexagonaal beschreven en daarna door: Dufrénoy (Compt. R. 37 p. 96S),

St. Claire-Deville (Compt. R. 42 p. 894),

Fizeau (Compt. R. 44 p. 314 en 371),

Lehmann (Zeitschr. f. Kryst. 1877. 1 p. 453) en Rinne (Zeitschr. f. Phys. Chem. 1S95. 16 p. 531) bevestigd.

Bij temperatuursverhooging treedt er verandering op.

Houston (Chem. News 1S71. 24 p. 177 en 188) geeft Ag I als voorbeeld op van kleursverandering zoodat deze bij verwarming naar rood, en bij afkoeling naar sterker breekbaar verschuift.

Hij laat op elkaar volgen oranje, donkeroranje, oranjerood en rood.

Wernicke (Pogg. Ann. 142 p. 560) zegt, dat bij afkoeling van gesmolten Ag I bij 138° een plotselinge vtrandering van kleur en doorzichtigheid intreedt, wat hij wilde verklaren door de aanname, dat bij hoogere temperatuur door gedeeltelijke ontleding van de verbinding, vrij I in oplossing gehouden wordt.

Door Schultz-Sellack (Pogg. Ann. 144 p. 331) wordt

Sluiten