Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover Wernicke volgehouden, dat het eengeleidelijke kleursverandering is. Ook Vogel (Zeitschr. Chem. 1S71 p. 467) spreekt van de verandering van kleur op filtreerpapier, gedrenkt met oplossingen van Ag N03 en K I, zoo men het boven een vlam houdt.

Rodwell (Chem. News 30 p. 288 en 31 p. 4) nam eerst voor Ag I drie allotrope toestanden aan en sprak bij ± 116° van een plotselinge heftige uitzetting bij temperatuurafname. Later (Lond. R. Soc. Proc. 1S7(>. 25 p. 280; 18S1, 31 p. 291) geeft hij 142° als dichtheidsmaximum op. Gesmolten Ag I krimpt tot die temperatuur in. De plotselinge uitzetting komt nu, en wel tot een grooter volumen, dan bij 't smeltpunt bestond en deze uitzetting neemt toe, naarmate de temperatuur daalt.

In 1877 vond Lehmann (Zeitschr. Krist. 1 p. 453), dat bij gewone temperatuur Ag I hexagonaal is en boven 146° kubisch, terwijl bij dezen overgang warmte geabsorbeerd wordt.

Bellati en Romanese (Lond. R. Soc. Proc. 18S2.34 p. 104) hebben de S. W. en de overgangswarmte onderzocht.

Zij geven 142° als begin en 156.5° als eind der omzetting.

Mallard en Le Chatellier (Compt. R. 1882.97 p. 105 en 1S84. 99 p. 156) vonden een warmteabsorptie van 6.8 cal. per gram bij den overgang van hexagonaal in kubisch.

Steger vond thermisch 147° als overgangspunt (Zeitschr. f. Phys. Chem. 1903. 43 p. 605).

De componenten zijn hiermede voldoende besproken.

Wat hun onderling gedrag aangaat, komen meerendeels de vroegere onderzoekingen neer op bepaling van de oplosbaarheid der beide zouten te zamen in water.

Loopen de componenten ieder voor zich daarin ten sterkste uiteen, de oplosbaarheid van het Ag I neemt zeer toe, zoo Ag N03 reeds in oplossing is, en uit zulke oplossingen zijn dubbelzouten verkregen.

Sluiten