Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Preuss (Ann. Chem. Pharm. 1839. 29 p. 329) geeft het eerst daarover deze opmerking:

„Salpetersaures Silberoxyd nimmt zu einer krystallisirbaren Verbindung Jodsilber auf".

Schnauss (Arch. Pharm. 1855. 82 p. 160) maakte het eerst de verbinding AgNOg.Agl. Hij loste in de kookhitte Ag I in bij 11° verzadigde Ag N03-oplossing op, wat in 't donker moest gebeuren, daar anders het Ag I zich zwart kleurt. Uit deze oplossing zetten zich heldere, naaldvormige kristallen af. Hij analyseerde en droogde het zout en vond de moleculaire verhouding 1 : 1 en tevens, dat het geen kristalwater bevatte. Volgens hem wordt het in 't daglicht snel zwart; veel vlugger dan één der componenten. Door toevoeging van H^O geeft de oplossing afscheiding van Ag I; in water zinkende dubbelzoutkristallen zijn op den bodem reeds tot Ag I geworden, met den vorm van het dubbelzout. Van het smeltpunt zegt hij alleen, dat het veel lager schijnt te liggen dan dat van Ag N03. Het eenig oplosmiddel der verbinding lijkt een geconcentreerde Ag N03-oplossing te zijn. De vloeistof, die van de kristallen afgegoten was, zette na langer staan nog zeer regelmatige kristallen af, die er als een combinatie van octaëder en hexaëder uitzagen.

Weltzien (Ann. Chem. Pharm. 1855. 95 p. 127) zonderde uit een zeer geconcentreerde oplossing van AgN03, waarin ook Ag I aanwezig was, de verbinding 2 Ag N03. AgI af; de eigenschappen zijn ongeveer dezelfde als die van Schnauss' verbinding.

In 1857 heeft Kremer (Journ. f. pr. Chem. 71 p. 54) op soortgelijke wijze gewerkt als Schnauss. Hij verwarmt een tamelijk geconcentreerde oplossing van AgN03 na toevoeging van vrij HN03 met Ag I en krijgt na eenigen tijd een gele, olieachtige vloeistof, die bij afkoeling ook geel kristalliseert. Deze massa kookt hij lang met HN03

Sluiten