Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eerste plaats ziet men, dat de mengsels, waarin de verhouding van Ag NO3 en Ag I resp. 2:1 en 1.1 is, hierin als maxima voorkomen, waardoor langs dezen weg ook het bestaan der 2 reeds bekende verbindingen aangetoond is. De maxima zijn zwak, wat aanduidt, dat het verbindingen zijn, wier smelt sterk gedissocieerd is.

Behalve dat de smeltpunten nauwkeurig bepaald zijn op zooeven genoemde wijze, is bovendien elke verbinding na fijn poederen onderzocht op de constantheid van haar smeltpunt en werd gevonden, dat het smelten van de hoofdmassa der zouten in een buitenbad, dat steeds ± 8° hooger was, verliep binnen een temperatuurtraject van niet meer dan 0.2 en dus even scherp is, als bijv. van Ag NO3 alleen.

Wat de smeltpunten der 2 verbindingen betreft, blijkt nog, dat de door mij gevonden waarden hooger zijn dan van één der onderzoekers in.de inleiding genoemd. Tegenover het door mij gevonden smeltpunt van 2 Ag NOs . Ag 1, nl. 119.1°, staan de lagere opgaven van Risse en Heli/wig, die volkomen weerlegd worden ook door de overige uitkomsten in de nabijheid ; slechts de bepaling van Fanto is zeer nabij. Hij heeft het zout uit alkoholische vloeistof verkregen, de anderen daarentegen uit waterige oplossingen en het ligt dus voor de hand de afwijkingen te verklaren uit de aanwezigheid van Ho O en misschien ook wel Ag N03 tusschen het zout.

Evenzoo is het met het smeltpunt 111.5° voor het zout Ag NO;J. Ag I, waar slechts Kremer's opgave

tegenover staat.

De zouten zijn beide kleurloos en niet lichtgevoelig, als ze droog en zuiver zijn. De waarnemingen hierover van vroegeren tijd loopen uiteen en de verschillen moeten wel hun verklaring vinden in de condities hierboven voor ongevoeligheid gesteld. Zoo zal de reden van het onderscheid der gegevens bij Schnauss en Kremer (voor de

Sluiten