Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naast dan D3 bestaan, beneden 66.66 o/Q echter De omzetting Dj + D3 -> Do geeft daardoor een splitsing van het o-ebied in tweëen, achtereenvolgens voor te stellen door: D] + D5 -► D-2 + D5 (op lijn RR2) en Dj + D3 Di + D2 (op lijn RR}) Het dubbelzout Do wordt dus nevens de smelt niet aangetroffen. Indien het zich evenwel bij verwarming boven 97° niet omzette in D1 + D6 dan zou zijn smeltlijn (als metastabiele phase) beneden die van D5 moeten liggen en op deze wijze zouden dan te verklaren zijn de bij 56.30 en 5S.5 % in hoofdstuk II gevonden metastabiele smeltpunten van deze mengsels.

De tweede omslag, die boven 66.66 0/0 begint op te treden bij ± 92°, neemt toe in sterkte bij stijgend gehalte, is zeer sterk bij 82.5 °/0, neemt daarboven spoedig af in omvang en scherpte en vertoont bovendien neiging om te dalen. Ik weet dit feit niet beter te verklaren, dan door aan te nemen, dat dit een omslag van D5 is (het maximum zou dan blijkbaar moeten liggen bij 83.33 %) en wel krachtens de fig. (lijn Pj P P2) in D2 + Mg1), zoodat D5, dat bij 97° beneden 66.66 % reeds verdwenen is door bovengenoemde omzetting (lijn RRL) nu bij ± 92° verdwijnt in de mengsels met meer dan 66.66 0/0. Als stabiele phase verdwijnt D5 derhalve geheel en kan dus alleen tusschen 116° en 92° bestaan boven 66.66 o/0, be- , neden dat gehalte maar van 116° tot 97°. Dat de omslag die op ?! P P-2 plaats vindt onregelmatig verloopt, behoeft niet te verwonderen, daar hierbij dan mengkristallen met hunne vertragingen in het spel zijn.

Beneden 92° hebben we naar het schema als stabiele vaste phasen boven 50 0/q slechts D^ -f- Dg en Dg + Mg.

>) Volkomen sluit deze hypothese niet aan bij de gezamenlijke waarnemingen ; bij 82.5 % is n-l* de omslag wel sterk, maar verloopt van

go.5 97.5°. Zonder meer gedetailleerd onderzoek kan echter een

andere wijze van omzetting niet overwogen worden.

Sluiten