Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het stel snaren, dat meetrilt, een eenigszins ander dan bij een anderen klinker. Maar als wij dit alles goed inzien dan zijn wij tegelijk aan ons punt van uitgang aangeland, 11.1. waarin toch wel het wezen van den klankaard mag bestaan ?

Het bestaat daarin, dat klanken die verschillend klinken, opgebouwd zijn uit verschillende stellen van enkelvoudige tonen. Een klank met een bepaalden klankaard bestaat uit een bepaald stel enkelvoudige tonen, die elk met een bepaalde intensiteitsverhouding in den klank aanwezig zijn. Een muzikale noot bestaat behalve uit den grondtoon, welks toonshoogte haar den naam geeft, uit eene reeks boventonen, welker intensiteitsverhouding onder elkaar en tot den grondtoon het timbre van de noot bepaalt. Dat heeft H e r m a n n v 0 11 Helmholtz ons geleerd.

XIV.

\\ aar wij mathematisch en physiologisch een klank opbouwen uit zijne samenstellende enkelvoudige tonen, daar kunnen wij dat ook in de grafische voorstelling doen. Wij moeten daartoe de trillingsvormen der enkelvoudige tonen, de zoogenaamde sinuscurven onder elkaar zetten en voor elk tijdstip de uitwijkingen der verschillende bewegingen tot ééne uitwijking bijeenvoegen. De dan ontstaande trillingsvorm is de lineaire superpositie van de genomen sinuscurven. Hierbij valt ons nu direct op, dat het lang niet onverschillig is, hoe wij de curven der enkelvoudige trillingen onder elkaar plaatsen. Ik kan 11.1. de sinuscurven ten opzichte van elkaar langs de horizontale lijn, die den tijd voorstelt, verschuiven en dan ontstaat den eenen keer een heel anders gevormde superpositie-curve dan den anderen keer. Toch heb ik telkens dezelfde sinuscurven niet dezelfde amplituden genomen. Dit nu noopt ons ertoe, den invloed van de onderlinge phasebetrekking der sinuscurven op de superpositie-curve te bespreken. Te meer daar men met goed recht de vraag zou kunnen stellen :

Als de vorm der superpositie-curve niet alleen verandert onder invloed van de aanwezigheid en de amplitude der sinuscurven, maar ook door de onderlinge phasebetrekking dezer samenstellende sinusbewegingen, hebben wij dan wel het recht den klankaard alleen in verhand te brengen met de vormverandering onder den eersten invloed en niet met die door de tweede oorzaak ?

Sluiten