Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rail een bepaald phaseversehil der tiree tonen </een sproke kan zijn, dat althans een bepaald aanvams-phasvrereehil niets karakteristiek* aan de superpositieeurre kan aeven. Men kan immers het begintijdstip (< = o) net zoo goed een weinig in negatieve of positieve richting verplaatsen en krijgt dan volkomen dezelfde superpositie-curve ondanks het willekeurig gekozen phaseverschil. — Men geve acht. dat ik nog slechts van de twee zuivere tonen, zonder ontstemming, spreek.— Deze eenvoudige waarheid is van groot gewicht voor het beoordeelen van vele proeven over den invloed der phasen op den klankaard. Daarom zal ik ze ad oculos domonstreeren:

XXXVII.

Fig. 4, is de grafische voorstelling van twee sinusbewegiugen, wier trillingsgetallen tot elkaar staan als 5 : 6 (kleine terts), met de door lineaire samenvoeging van de uitwijkingen der twee bewegingen ontstane superpositie-curve.

Nemen wij het punt a als begintijdstip, zoo wordt de beweging voorgesteld door

A sin 2 jt • 5 d -f- — ^ -f" B sin 2 n • 6 d -f-

Het aanvangs-phaseverschil is dan nvl: Elk der twee bewegingen

heeft in 't punt a * van een heele trilling volbracht. In het punt 4

/> zou de beweging worden voorgesteld door :

A sin 2 n • 5 d 4—y J 4~ R 2 rr ^ • G d 4- \

liet aanvangsphaseverschil zou dus - — — zijn, als l> als

4 2 4

begintijdstij) gekozen werd. Hij <• zou het ^ bedragen, bij d '

— 4

en bij ax weer nul.

De afstand a ax stelt de periode der superpositiecurve ^ JL secunde^

Sluiten