Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

temperatuurscoëfficient, niet veel afwijkende van den uitzettingscoëfficient van ; echter steeds iets grooter.

De beteekenis hiervan, waarop in de inleiding reeds is gewezen, is deze, dat, indien de verandering op dezelfde wijze door bleef gaan, de weerstand reeds nul wordt bij eene temperatuur boven het absolute nulpunt. De tweedegraadsterm in t met negatieve coëfficiënt werkt in denzelfden zin; de gemiddelde coëfficiënt wordt bij lagere temperatuur grooter.

Nu is deze uitkomst in strijd met onze voorstelling, dat de weerstand steeds eene positieve grootheid zijn moet. Zelfs indien men er geen bezwaar tegen heeft, dat bij het absolute nulpunt zelf de weerstand voorden galvanischen stroom verdwijnt, dan zal dit toch in geen geval bij eene hoogere temperatuur mogen plaats vinden.

Uit het oogpunt van de theorie moet het derhalve van groot belang zijn zekerheid te verkrijgen, of werkelijk de weerstand nul wordt, of dat er bij zeer lage temperaturen feiten gevonden worden, die eene andere voorstelling noodzakelijk of waarschijnlijk maken.

Er komt echter nog eene tweede reden bij, die het nauwkeurig onderzoek van de verandering van den weerstand met de temperatuur een bizonder belang geeft. De weerstandspyrometer is in dit gebied één van de meest gebruikte en geschikte thermometers. De kromme lijn, die den weerstand als functie van de temperatuur aangeeft, krijgt echter voor voldoend lage temperatuur noodzakelijk een ander karakter, dan uit de metingen bij hooge temperaturen af te leiden is. Het is dan noodzakelijk nauwkeurig na te gaan, of die verwachte verandering reeds bij de te bereiken temperaturen merkbaar is en, indien

Sluiten