Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7»/2 c.c. werd in een kolfje met verdeelden bals van 100 c.c. gedaan, daarbij eene 50°/o ge resorcine oplossing gevoegd en gescbnd, tot de gevormde vaste massa opgelost was; 3,4 c.c. waren onaangetast gebleven; deze olie werd afgeheveld, met waterdamp gedestilleerd en gedroogd. Vervolgens werd daarvan het kookpunt bepaald; dit lag bij 165°—168°. In de gedroogde vloeistof werd onder afkoeling en na verdunning met ijsazijn Br. gedruppeld, dat snel werd opgenomen. Er vormden zich kristallen, die een smelpunt van 11972° hadden. Het bleek dus, dat voor de grootste helft cineol in de fractie 170°—180° aanwezig was en bovendien eene andere stof, die geen limoneen was.

Cineol is een van de bestanddeelen van aetherische oliën, dat naast pineen het meest voorkomt. Het is het eerst in 01. Cinae aangewezen en onderzocht door Trommsdorf (± 1830) en na hem hebben verschillende onderzoekers zich niet deze stof beziggehouden.

Ook in 01. Cajuputi is cineol reeds vroeg als hoofdbestanddeel gevonden, maar de naam dateert van 1884, toen hij door Wallach en Brass (A. 225. 291) ingevoerd is. Zij erkennen wel de identiteit van ('ajuputiolie met cineol, maar behouden den laatsten naam. Later is cineol, dat ook wel Eucalyptol of ( ajeputol heet, nog in verschillende andere aetherische oliën gevonden. Het staat chemisch in nauwe betrekking tot pineen, limoneen en terpineol.

Het kan daaruit ontstaan door genoemde stoffen met zuren te behandelen, en misschien heeft deze omzetting in de planten plaats, daar dikwijls pineen en cineol gemeenschappelijk voorkomen. Eigenaardig is het echter, dat cineol alleen in aetherische oliën, afkomstig van Angiospermen, gevonden is, terwijl het in de oliën der

Sluiten