Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarom werd weder eenige keeren gefractioneerd. Telkens ging bij 206° een weinig kamfer over, maar daarna steeg de temp. tot 212°, en bij 214°—218° ging op nieuw vaste stof over. Het smeltpunt van deze stof bedroeg, niet verder gezuiverd, 173°. Gemengd met borneol van sm. 207°, rees het sm. tot 197° en gemengd met kamfer van sm. 176,5°, werd liet sm. 174°, terwijl een mengsel van borneol (sm. 207°) en kamfer (176,5°) bij 184° smolt. Uit deze gegevens was het wel waarschijnlijk, dat de door mij verkregen vaste stof borneol bevatte, die ik nu door sublimeeren zuiver trachtte te verkrijgen. Het sm. 207° van zuiver borneol kon ik echter niet krijgen, dus was er waarschijnlijk steeds nog een mengsel van borneol en kamfer aanwezig

Wanneer borneol aanwezig was, moest de fractie dus een acetylgetal hebben en werkelijk verkreeg ik door acetyleeren van 1,194 gr. der fractie 216°—218° een produkt, dat na verzeeping 4,37 c.c. V2 n. alcoholische kali vereischte, zoodat het acetylgetal ervan 92,378 bedroeg.

Het bornylacetaat (sm. 29°) verkreeg ik echter niet vast, wel had het grootste gedeelte van het produkt gevormd door acetyleeren van zoover mogelijk gezuiverd borneol (?) een kookpunt van 227° (= kp. bornylacetaat). Van dat gedeelte verzeepte ik 0,507 gram met alcoh. kali. Daarvoor was noodig 142,043 mgr. K. OH., terwijl berekend voor bornylacetaat dat getal 145,38 moest zijn.

Er kan dus wel aangenomen worden, dat borneol aanwezig was, maar het blijft nog eenigszins de vraag, of het borneol niet uit de kamfer ontstaan is. Aan den anderen kant is ook de mogelijkheid niet uitgesloten, of niet oorspronkelijk meer borneol aanwezig was, dat door het herhaald destilleeren in kamfer is overgegaan.

Sluiten