Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p-methoxykaneelzuur -f hydrochinon en p-azoxyanisol -f bengophenon.

Het verloop der lijnen K H en K G brengt ons tot de volgende overweging. Deze lijnen zouden, indien zij niet door de snijding met III op de lijn E H Cf eindigden,' doorloopen naar den hydrochinonkant om daar in het smeltpunt der vloeiende hydrochinonkristallen te eindigen. Zoo komt men tot de vraag, waarop ook De Kock reeds in zijn dissertatie wees, in welken toestand verkeert het hydrochinon in de vloeiende mengkristallen ?

Bevindt het hydrochinon zich ook in den vloeiend kristallijnen toestand?

Ware dit het geval, dan werd men gedwongen eenen metastabielen vloeiend kristallijnen toestand bij het hydrochinon aan te nemen. Het zou nu inderdaad mogelijk zijn, dat evenals bij het p-azophenetol, het cholesterylacetaat e. a. bij sterke onderkoeling vloeiende kristallen optraden. Ondanks herhaalde pogingen lukte het mij echter niet bij het hydrochinon eene metastabiele vloeiend kristallijne phase te onderkennen. Daar bovendien uit onderzoekingen van Schenck gebleken is, dat een groot aantal zeer verschillende lichamen zooals het diphenyl, nitrophenol, resorcin, naphtalin niet alleen met het vloeiend kristallijne p-azoxyanisol, maar ook met andere vloeiende kristallen mengbaar is, zou men tot de conclusie geraken, dat deze alle eene ol' meerdere metastabiele vloeiend kristallijne phasen bezitten!

b Krist.-Fltis und Flüs-Kristalle (1905).

Sluiten