Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kansen voor liet ontstaan der drie T-X doorsneden zullen vrij wel even gering zijn. Fig. 9 zal niet licht verwezenlijkt worden, daar, waar het moeilijk is ééne stof te vinden, waarbij

dj5 / d P

d T \ d T de kans, dat men met mengkristallen van

SF \ FL,

twee dergelijke componenten werkt, nog kleiner is.

Gaan wij nu na, hoe de ruimtefiguur zal veranderen, indien een der componenten b.v. A eene metastabiele vloeiendkristallijne phase heeft en de andere eene stabiele, dan zien we, dat Sa bij lager temperatuur dan (JA komt te liggen.

Daar nu de smeltlijn vermoedelijk minder zal hellen dan de overgangslijn, zal de lijn Sa S'a de lijn 0A 1* bij een bepaalden druk snijden. Neemt men eene doorsnede bij constanten druk, die lager is dan de druk van 't snijpunt, dan zullen de vloeiende kristallen aan den A-kant metastabiel zijn. Bij een druk grooter dan die van 't snijpunt bezit A dan eene stabiele vloeiend-kristallijne phase.

Zijn de beide componenten metastabiel, dan zal zich hetzelfde aan den B-kant voordoen.

Indien zoowel A als B ieder twee stabiele vloeiend-kristallijne pliasen bezitten, zal de ruimtefiguur zoodanig uitgebreid moeten worden, dat nog een tweebladig oppervlak wordt toegevoegd, zoodat we dan een mengkristallen-blad voor de eerste en voor de tweede modificatie krijgen. Iedere component heeft dan drie tripelpunten, het eerste voor S + Fn + 6, het tweede voor Fn + Fi -f G en het derde voor Fi + L + G.

Sluiten