Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en pollenmoedercellen geschiedt op dezelfde wijze als in de bovengenoemde gevallen ').

De „Cytologische Studiën aus de»i Bonner botanischen Institut -) brachten een reeks nieuwe waarnemingen en inzichten betreffende de vorming van de celplaat bij lagere en hogere planten, waarvan ik het belangrijkste zal mededelen.

Mottier bestudeerde de kerndeling in de pollenmoedercellen van enige Dicotylen en Monocotylen \ aangaande de eerste celdeling bij Lilium, vertelt de Schrijver 3), dat in t equatorialvlak van het systeem de verbindingsdraden opvallend verdikt zijn; hij verwijst naar Fig. 20, Taf. IV, welke figuur laat zien, dat de verbindingsdraden van de kernen uit naar de equator geleidelik dikker worden; eigenlike celplaatelementen, welke zich zouden voordoen ais korrels heeft de schrijver dus niet gezien. Spoedig daarop verschijnt de celplaat als een cirkelronde schijf, die gelijkmatig aan de rand voortgroeit naar de moedercelwand toe. De periphere draden schijnen in de aequator opvallend verdikt te zijn, „so dass wir es dort wahrscheinlich mit einer grossen Menge dicht nebeneinander laufenden P asern zu tliun haben . Dat de verbindingsdraden „in direkter Beziehung zu der Zellplattenbildung stehen", schijnt Mottier aan geen twijfel onderhevig, n doch in welcher Weise bleibe dahingestellt".

Debski4) vermeldt, dat bij de celdeling in het vegetatiepunt van Chara fragüis, de celplaatelementen het eerst in het centrum van de „primare Spindel" optreden. „Sicher wird diese Zellplatte aus den Verdickungen der Fasern gebildet, und nicht aus da zwischen gelagerten Plasmaelementen, wie das Zacharias für

') 1. O. pag. 182.

2) Jahrb. f. wiss. Bot., Bd. 30, 1897.

3) 1. c. pag. 192.

4) 1. c. pag. 239.

Sluiten