Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stadium afbeeldt en waarin de genoemde „Hautschichten" ook verder van elkaar getekend zijn. Van een „Schrumpt'ung" is in beide fig. niets te zien en we moeten dus wel aannemen, dat zich evengoed als tussen de „Hautschichten" in fig. '23, ook tussen die in fig. 22 iets bevindt, wat dan wel niets anders zijn kan, dan een celwand. Trouwens de schrijver laat zich over het ontbreken van de celwand in 't stadium van fig. '22 ook voorzichtig uit, zoals uit het aangehaalde blijkt.

Ju el1) ontdekte, dat in de eerste deling in de pollenmoedercellen van Hemerocallis de celplaat zich op de gewone wijze vormt in het verbindingsdradencomplex, doch de moedercelwand niet bereikt; de verbindingsdraden verdwijnen nu en de celplaat blijft vrij in de cel liggen. Op dwarse doorsnee vertoont hij een dubbele contour, welke contouren zich voordoen als rijen van zeer fijne korreltjes. „Wahrscheinlich hat schon die Bildung einer Mittellamelle begonnen, und die Kürnchen sind wohl Mikrosomen, die an dem Aufbau derselben betheiligt sind.'' Gedurende de tweede deling blijft de eerste celplaat onveranderd bestaan en wordt dan ook gekompleteerd. „Eine fertige Zeilwandlamelle wird zuerst in der alten Zellplatte und zwar im mittleren Theil derselben ausgebildet". Bewijzen voor deze bewering brengt J u e 1 niet bij.

D e b s k i2) laat zich over de natuur van de celplaat bij Cliara niet uit, doch vond voor het optreden van de celplaat vaak betrekkelik grote nucleolusachtige lichamen op de plaats, waar later de celplaat zou verschijnen; bij de delingen in de antheridiumdraden nam hij dat echter nooit waar. Toch konkludeert hij, dat „im Plasma nucleolenartige Kürper aut'treten, welche wahrscheinlich aus

') Die Kernth. in den Pollenmutterzellen von Hemerocallis fulva etc. Jahrb. f. wiss. Bot., 1897, Bd. 30, pag. 211.

2) Beobaeht. üb. Kernth. bei Chara fragilis Jahrb. f. w. Bot.. 1897, Bd. 30, p. 239, 242, 245.

Sluiten