Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3. Waarnemingen. Het cytoplasma van de meristeemcellen in de stengeltop van Psilotnin triquetrum heeft een fraaie reticulaire of alveolaire bouw met een groter of kleiner aantal grotere vacuolen voorzien; de wanden van de mazen van het reticulum zijn door korreltjes van zeer ongelijke grootte goed gemarkeerd; Guignard J) geeft ook reeds voor de sporemoedercellen op, dat het cytoplasma er veel onregelmatiger gekorreld is dan gewoonlik. Hier en daar treft men verder niet talrijke, door 't osmiumzuur zwart gekleurde vetbolletjes aan, terwijl een soms vrij groot aantal chloroplasten voor de beschouwing min of meer hinderlik is.

In de prophase zag ik verscheidene kernen aan twee zijden, de toekomstige polen van de delingsfiguur, voorzien van een fijn-reticulair of alveolair gebouwde cytoplasmakap, welke zich zijdelings langs de kernmembraan versmalde. Een enkele maal was deze kap meer uitgerekt en meer draderig van struktuur en drong zich de gedachte op, dat hier de spoeldraden zouden ontstaan rechtstreeks uit de mazen van het net, door intrekking van de dwarsverbindingen; deze waarneming, hoewel nadere bevestiging vereisend, lijkt mij niet van belang ontbloot in verband met de mededelingen van Densmore2). Ik kom er in een volgend hoofdstuk op terug.

In de metaphase zag ik de fijne „Zugfasern" in bundeltjes van de polen naar de kernplaat gericht, doch het verloop van doorlopende primaire verbindingsdraden was in mijn preparaten niet goed na te gaan, evenmin gedurende de eerste gedeelten van de anaphase, welke zeer snel schijnt te verlopen, blijkens het geringe aantal stadia, 't welk ik hiervan in mijn preparaten aantrof; ik heb

ï) 1. c. pag. 249.

2) H. D. Densmore. The origin, struoture and function of the polar Caps in Smilacina amplexkaulis. Xutt. Univ. of C'alifornia public, in Botany. Vol. 3. N°. 2, pag. 303—319, Pis. 4 — 8. 1908.

Sluiten