Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit verband wijs ik er op, dat b.v. de kleuring van mijn materiaal van Allium, Psilotum en Aneimia (gefixeerd met sterk F lemmings mengsel) met de oude Delafield'se haematoxyhne-oplossing, waarbij de celwand en de celplaat zich gelijk kleurden tegenover de rest van de celinhoud, een belangrijke aanwijzing was, welke leidde tot het stellen van de vraag of celwand en celplaat misschien bestonden uit verwante, van het protoplasma in chemies opzicht fundamenteel verschillende stoffen een vraag, die alleen reeds op grond van het feit, dat ater op de plaats van de celplaat zich een celwand zal ^>e vinden, recht van bestaan heeft. Het vermoeden, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, wordt natuurlik versterkt, wanneer andere kleurmethoden een c ei-gelijk resultaat geven. Dit was bij mijn onderzoek het geval met de driekleurenmethode.

De andere kleuringen door mij in te gering aantal aangewend, gaven in zoverre deels een minder gunstig i esultaat, dat daarmee ook de rest van de celinhoud met ongeveer dezelfde tint werd gekleurd, zodat daaruit niets •on worden gekonkludeerd ten opzichte van verschil of ook van overeenkomst in samenstelling. Van meer belang waren echter de kleuringen toegepast op alkoholmateriaal, waarbij alles, ook de cel wanden en de verbindingsdraden werden gekleurd, terwijl de celplaat ongekleurd bleef; dit was het geval bij kleuring met methyleenblauw, ruthemumrood en safranine en wijst er op, dat niet alleen de celwand en de celplaat in het onderzochte wortelmeristeem van Alltuvi verschillend zijn; doch dat de laatste evenzeer verschilt van de protoplasmatiese inhoud van de cel. Op zich zelf beschouwd, kan men het geringe aantal opgenoemde feiten misschien verklaren, óf doordat de celplaat en de celwand wellicht uit niet identieke stoffen bestaan die echter de affiniteit voor de Delafield'se haematoxyline gemeen hebben, óf doordat de celwand en de celplaat e k voor zich uit een zeker aantal verschillende bestand-

Sluiten