Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nevel. Allerlei zaken, steeds uitgesteld, zijn af te doen; allerlei beschikkingen zijn te nemen. . . . Zullen zij worden uitgevoerd door wie achterblijven? Gij zijt niet daar om wat wordt misverstaan op te helderen, om aan te sporen tot meer kracht, om te wijzigen als de omstandigheden zich wijzigen, om des noodig in te grijpen. . Men voelt zich machteloos; als dood.

De natuur werkt tot die stemming mede. Al weken lang schuilt de zon achter wolken waaruit regenbui plast na regenbui, of waaruit neerdaalt grillig gewarrel van sneeuwvlokken.

Toch doet die verborgen zon hare werking gevoelen: het is als de sluimering vóór het ontwaken; hier en daar duiden reeds in de stadstuinen knoppen op het naderen der lente. . . . Die lente zult gij niet zien, niet met een forschen ruk openwerpen de ramen waarachter al zoovele weken, zoovele maanden de door den winter gevangene hunkerde naar verlossing. O, dat heerlijk voor de eerste maal wijd, wijd open zetten der ramen 0111 te laten instroomen die eerste zoelte van 't jaar, beladen met de duizende geuren dei' herboren natuur!

Ditmaal zal die lente komen terwijl gij op zee zijt, waar niets bloeit, en daarginder onopgemerkt vergaan in den roes van het reizen: de leute kan slechts genoten worden waar men den winter heeft gekend. En dat lang vei wachte, dat vurig gewenschte één jaar te moeten missen, is het niet een heelen lap scheuren uit het leven? Want maar eenmaal per jaar keert dat genot weder, en hoe weinige voorjaren telt zelfs het langste leven!

Achterlijk, — zooals alles achterlijk is op 't platteland, vergeleken bij stad — is de natuur buiten, gezien van uit den trein, die nu voor goed wegvoert uit het Geldersche landschap. Weiden van een nameloos, dor

Sluiten