Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om de woorden „Dutch" en „Dutchmen" ons onwillekeurig iets min of meer dwaas voor den geest roepen. Want dat zulks liet geval is, kan niet ontkend worden; maaide oorsprong is niet gemakkelijk na te gaan. Al de Duitschers noemen zich „Dutch", terwijl de „Dutchmen"zelf zich Hollanders of Nederlanders noemen naar hun land; maar nis wij een Duitscher een „Dutchman" noemen, dan doet ons dat altijd glimlachen, liet schijnt als vanzelf te spreken dat er iets — al is het ook niet veel — maar toch iets grappigs in steekt een „Dutchman" te zijn. liet moet van veel vroeger dagteekenen dan Irving's schetsen."

En niet ten onrechte laat hij die gevoelens dagteekenen van de 17e eeuw, toen de Engelschen en hunne Nederlandsche neven scherpe mededingers waren, niet zelden elkander beoorloogden, en zij meer dan vroeger of later, voortdurend elkander voor den geest stonden. In dien tijd vindt hij voor 't eerst uitdrukkingen als „Hollandsche troost" (Dutch comforters), als wederwoord aan wie u raden den Hemel te danken dat het nog niet erger is. „Hollandsche koopjes" (Dutch bargains) als bier het verstand benevelt; of „Hollandsche moed" (Dutch courage) als sterke drank in het spel is. Nog erger: „Dutch defence" voor een overhaaste en laffe overgave. Shakespeare noch zijne tijdgenooten kennen zulke uitdrukkingen, doch onder Karei II komen zij veelvuldig voor. Troosten wij ons echter, want Fiske vervolgt: er ligt meer spijtigheid dan geest in die uitdrukkingen, en zij zouden zeker niet opgekomen zijn als het Hollandsche volk ver beneden het Engelsche stond. Want waar een duidelijk verschil bestaat, spreekt geestelijke meerderheid zóó van zelf, dat die niet door zulke aanwrijvingen behoeft bevestigd te worden. Alleen waar het onderscheid met den vijand inderdaad ge-

Sluiten