Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zóó rustig, zóó droomerig kalm, <lat men de hand strijkt over liet voorhoofd, en terwijl de ooren nog suizen van het waterplassen, zich afvraagt: was dit wellicht een visioen ?

Geysers en heete bronnen zijn van één geslacht; de beete bron ligt aan den oorsprong en ook aan het einde van het grootschere natuurverschijnsel. Stel u voor een diepe spleet gevuld met water — regenwater of water uit een beek — en heel in de diepte: hetzij gloeiend gesteente, hetzij stoom, opstijgend uit nog grooter diepten. Dat water zal dan verhit worden; in de diepte 't meest, minder naar boven toe. Doch de zwaarte van de waterkolom veroorzaakt grooten druk in hare onderste lagen: bet kookpunt — dat in de vrije lucht, aan de oppervlakte der aarde, niet boven 10U° Celsius stijgt — ligt dientengevolge in die diepte tientallen graden hooger. Dat water wordt aldaar — zooals men zulks noemt — oververhit.

Zoo iets gebeurt ook wel eens in stoomketels, onder bijzondere omstandigheden; ondervindt alsdan toevalligerwijze dat oververhitte water een schok, dan ontwikkelt zich daaruit plotseling zóóveel stoom, van zulke hooge spanning, dat de wanden de persing niet kunnen weerstaan: de ketel springt uiteen. Zulk een ketel is de gevser. Wel is in de rotsspleet de watermassa van boven niet afgesperd van de vrije lucht, maar de zware waterkolom werkt zelve als afsluiting. Een gevser is dus een stoomketel, welke periodiek barst.

Aldus wordt gewoonlijk liet verschijnsel verklaard. Of daardoor alle bijzonderheden zijn toegelicht, waag ik niet te beoordeelen; doch de buitengewone regelmatigheid van sommige geysers doet denken aan die zeer ver-

Sluiten