Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteente. Tot zeven honderd meter is de gleuf diep, en aan den bovenrand bedraagt hare wijdte drie honderd tot vijftien honderd meter. Het is een reuzensloot ter lengte van een achttal uren gaans.

De wanden zijn niet loodrecht, doch door verweering glooiend tot in de diepte — waar maar even ruimte is voor de groene schuimende rivier, welke van den gleufrand af gezien, popperig klein schijnt, ofschoon niet veel smaller dan onze IJsel. Op sommige plaatsen zijn de hellingen glad als die van duinen, op andere puntig brokkelig. Van den rand af gezien, is het alsof daar lag een heel oude, half verbrande stad met duizende torens. Want is de algemeene kleur van den Canon geel, goudgeel — alsof de steen zonnestralen had ingezogen (van daar de naam Yellowstone) — de eertijds uit diepten der aarde opstijgende vulkanische dampen hebben lieele gedeelten geroosterd, en zoo zijn die brokken rossig gekleurd. Doch niet alleen zijn sommige massa's als door 't vuur verzengd: breede strepen van allerlei kleur en van de meest belle tot de meest sombere tinten vloeien van de wanden naar beneden; vooral treffen enkele hel roode — alsof de gelige rotswand daar uit verborgen wonden bloedt. Jammer dat men die verschijnselen slechts van uit de hoogte kan zien — een hoogte van anderhalf tot tweemaal de hoogte van den Eifeltoren — daar in de diepte loopt geen pad ; en slechts met een touw om het middel gebonden, is somwijlen een onderzoeker naar beneden gedaald.

Maar dat te hooge standpunt verschaft ook eenige voldoening: In plaats van op te zien tot waar de arenden nestelen, kijkt men hier op hunne woonsteden neer. Want waar bij het verweeren van de gleuf hellingen hardere steensoorten weerstand boden, zijn deze van

Sluiten