Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winkelramen, vermoeid door de ontspanning en gemelijk over de wachtende week-taak.

De verlichting wordt aan boord slechts ontstoken aan die zijde van bet wandeldek, welke door den hutwand tegen den wind is beschut. Dit bepaalt den loop deiwandelaars — de donkere eenzaamheid aan de andere zijde der kajuiten doet huiverend terugtreden. En toch is het daar niet eenzaam: de natuur leeft daar stil haar leven. Het oog, niet langer verblind door het kunstlicht, ziet er tusschen de grauwe ijzeren stijlen, welke het overstekend stormdek dragen, langzaam wiegelen het starrengezaaisel. En voor wie over de verschansing leunt, is het schip als weg; is het alsof men zich alléén bevindt in de ruimte, waar over het blauw-zwart stil deinend watervlak zich weli't — eveneens heel stil — de blauw-zwarte luchtkoepel, besprenkeld met stipjes, die zacht glimmen zooals glimwormen onder het gebladert, als men op een zoelen zomeravond wandelt langs eikenhakhout. — Slecbts uit een enkele ster stroomt hel, blauw licht.

Sterren ook schijnen in het water gevallen; veel helderder sterren zelfs dan die daar omhoog. In het draderig schuim langs de scheepshuid hebben zij zich opgehoopt, en doen dit glanzen als een melkweg. Daarbuiten — in bet marmergeader — flonkeren er slechts enkele, eenzaam: groote blauw stralende edelsteenen. Dit is de nachttooi der 7,ee.

Maar de sterrenkoepel openbaart zich eerst in zijne oneindige diepte op het stormdek daarboven, waar het uitzicht over het watervlak door de vele getimmerten is weggenomen, niets daarentegen belemmert het zien omboog. Op dat stormdek dobberen, eenzaam verlaten, als in donkere starrenzee do lange rijen grauw-witte reddingsbooten; terwijl als een scheepsbaken omhoog rijst de

Sluiten