Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het doorzeilen of doorstoomen van dit gebied, kan men, door telkens den thermometer te raadplegen, voorkomen, dat men in mistig weder of in den nacht met deze ijsbergen in aanraking komt.

Het is duidelijk, dat het zeewater in den Equatorialen stroom een hooge temperatuur moet hebben, die echter daar niet zoo hoog is, als die van het water van den stroom in de Golf van Mexico en in de Straat van Florida.

De temperatuur van het water aan de oppervlakte is daar gemiddeld in den winter 77° F. (25° C.), in de lente 77V4° F. (25'/40 C.), in den zomer 83° F. (28V»0 C.), in den herfst 81'.ƒ Fahrenheit (27 7*° Celsius).

Noordelijker in den Oceaan, waar men aan de oppervlakte 70° F. (21° C.) vond, had men op 700 Meter diepte 40° F. (4°,5 C.) dus slechts 8° F. boven het vriespunt en dus een verschil van ;50° F. met het wat^r aan de oppervlakte.

Deze laag koud water wordt niet alleen onder, maar ook aan de zijden van den stroom waargenomen, zoodat men de westzijde van den stroom dan ook den kouden wal heeft genoemd.

In den Florida- en den Golfstroom is het water warmer dan de lucht; aan de westzijde van den Golfstroom omgekeerd het water kouder dan de lucht, soms met een verschil van 8 a 10° Fahrenheit.

Aan de westgrens van den stroom kan het gebeuren, dat op zekeren tijd de thermometer boven water 70 graden Fahrenheit aanwijst, terwijl de temperatuur van het water 72° Fahrenheit is, en dat men eenigen tijd later buiten den stroom komende, de temperatuur van de lucht 69° en van het water 60° Fahrenheit vindt.

Door nu en dan de temperatuur van beide op te nemen, kan men nagaan of men zich in of buiten den stroom bevindt.

Sluiten