Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun elders in meerdere of mindere matp ontbrak, natuurdrift, of andere natuurlijke behoeften.

Bekend toch is, dat ze in groepen veel meer met goed en standvastig weder gezien worden, dan wanneer het tegendeel het geval is.

Bovendien zal iedere visscher u kunnen zeggen, dat in den tijd van ansjovis en haringvangst, bruinvisschen veelvuldiger gezien worden dan op andere tijden.

Hij zal u bovendien kunnen verhalen, hoe bij deze of gene gelegenheid zijn vischnetten tot onkenbaar wordens toe door de bruinvisschen vernield zijn.

Op de vroegere haringbuizen (hoekers) had men een uitkijkplaats boven aan den mast, waarin om de beurt een der mannen op den uitkijk moest staan.

Aan dien man kon de schipper nu en dan vragen, of er wat te zien was.

Riep de uitkijk van "boven, dat hij een Jan van Gent zag, (een groote, zeer kenbare mooie meeuw) dan werd door den schipper gezegd: „haring omtrent, kom maar beneden man."

Meeuwen nu en dan onder lij van de zeilen van een schip, zijn geen voorboden van een naderenden storm, want dan moesten zij immers bij iederen naderenden storm gezien worden.

Zij zijn geen weerprofeten, maar zij komen op het ongewone geluid af van bet zingen van het tuig en het fluiten der blokken.

Dit zingen en fluiten van scheepstuig en blokken wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door trillingen (golvingen) in de lucht, ten gevolge van de nadering eener zich zeer snel voortbewegende depressie (secondaire depressie) zoodat de wind gewoonlijk in zeer korten tijd tot een zware storm aangroeit, die veelal met slagregen gepaard gaat.

De winden zijn meestal ZW of WZW.

Sluiten