Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIRMAH.

De tweede en laatste jacht die ik in Birmah ondernam, had tot tooneel de lage landen van Pugyi ten noordwesten van Rangoon. Het landschap draagt hier eenigszins een Javaansch karakter en lijkt gedeeltelijk op de boschrijke streek tusschen Solo en Madioen. De plaats was mij aangewezen door een officier der politie, die mij een in de Birmaansche taal gesteld briefje medegaf voor een hem bekenden jager te Pugyi. Deze zoude mij verder helpen. Eene eerste teleurstelling deed zich echter voor toen mijn jongen, een Christen uit Madras, die een dronkaard en een dief bleek te zijn, met mijne provisies verdween op het oogenblik dat ik hem bij mijn vertrek uit Rangoon aan het station verwachtte. Ik moest dus alleen gaan en zag noch jongen noch provisies ooit weder.

Te Pugyi aangekomen, werd ik op vriendelijke wijze geholpen door den stationchef, en dank zij hem vond ik mijn jager. Gedurende drie dagen vertoefde ik als diens gast in een verblijf, meer gelijkende op een duiventil dan op eene menschelijke behuizing, en even primitief als zijne bewoners. Laatstgenoemden, t.w. de jager en zijn talrijk gezin, huldigden het beginsel dat kleeding eene nuttelooze weelde is. Slechts kolossale hoeden droegen zij, wat aan hunne personen een topzwaar aanzien gaf. Wat hun eten betreft, zoo durf ik beweren niet kieskeurig te zijn, maar den kost te verorberen die mij daar werd aangeboden, ging mijne krachten te boven; drie dagen lang leefde ik dus van thee, en met weemoed dacht ik aan de "cooking", die mij te Mandalay voor oogen had gezweefd. Wellicht zoude ik thans met meer genoegen op dit alles terugzien, wanneer de resultaten van den tocht eenigszins in overeenstemming waren geweest met de ontberingen. Ik kreeg echter geen enkel stuk wild te zien, en tot overmaat van ellende liet de chef van het naburige station mij reeds op den derden dag weten dat de pest in deze streek was uitgebroken en dat hij het voor mij geraden achtte, zoo

Sluiten