Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

banken uitgeput raken, en waar de visscherij in de laatste eeuw achttien millioen Gld. aan de schatkist opbracht. ') Alvorens mijne reis te hervatten, maakte ik met een Noorsch scheepskapitein, eveneens passagier op de ,Van Swoll' een zeiltocht naar Groot-Banda, hetwelk met BandaNeira, eenige kleinere eilanden en den Goenoeng Api, de Bandagroep vormt. Vermoedelijk zijn al deze eilanden stukken van eenige zich uit zee verheffende kraterranden. Op een punt aangekomen, dat ons om verschillende redenen gunstig toescheen, bleven wij met onze boot liggen, en brachten den middag door met het duiken naar schelpen. In stilte hoopten wij beiden, dat het ons door eene vriendelijke beschikking der fortuin gelukken mocht, een paar fraaie parels op te visschen, maar hoeveel moeite wij ons ook gaven, de parels bleven onvindbaar, en wij moesten ons vergenoegen met eenige eigenaardige schelpen. Wij hadden echter van onzen tocht geen berouw. Het water was zoo kristalhelder, dat men op een paar vademen diepte aangekomen, duidelijk alle koralen en andere voorwerpen op den zandigen bodem onderscheiden kon, eene omstandigheid welke aan den weligen, onderzeeschen plantengroei den schijn gaf van een weggezonken paradijs, versierd met fonkelende edelgesteenten. Indien ooit, dan kon van deze beschouwing gezegd worden, dat men daarbij ademloos stond tegenover zooveel schoons; boven water moest dus spoedig weer versche lucht worden ingezameld.

Des avonds voor ons vertrek was door kapitein de Blinde eene dame uit Banda ten eten genoodigd; het diner was, zooals altijd, voortreffelijk en in het bijzonder verdiende een schotel vermeld te worden die ongetwijfeld als curiosum kon gelden. Hij leek op eene verzameling kleine, zwarte pieren. Deze vertoonen zich op twee dagen van het jaar tegen het schemeruur aan het watervlak, en

') H. v. Kol „Uit onze Koloniën", blz. 223.

Sluiten