Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regeeren de soelowatangs, uitvoerders der bevelen van den heerscher en, na dezen, de voornaamste personen van het land.

Het lagere volk ressorteert onder de pabitjara's; de rechtspraak wordt uitgeoefend door laatstgenoemden en in het hoogste ressort door de hoofden.

De madika's zijn de feitelijke districtshoofden, de makaka's de kamponghoofden; deze zijn verplicht bij eventueele oproeping ten strijde met hun volk op te komen.

Een djenerala staat aan het hoofd van het leger, verder heeft men den poenggawa — oproeper ten strijde — en den kapitan — verpleger in oorlogstijd — die tevens zorg draagt voor de wapens, de ammunitie en de betaling. De sjahbander int de belastingen.

De geestelijkheid bestaat in Enrekang uit een khalief, een iman, vier katilen en vier bidals, — in de vasalstaten uit een iman met ondergeschikt personeel.

De inkomsten bestaan in rechten op in- en doorvoer, alsmede in passer- of marktgelden. Zij bedragen voor koffie ƒ 2.50 per pikol, voor zout ƒ 1.50 per sampang, voor opium ƒ 2.50 per bal — gemiddeld ƒ 5000 per jaar. Ook bij afdoening van zaken worden percenten geheven.

De aroeng van Enrekang heeft verder als bron van inkomsten z.g. ornementsvelden, gelegen aan den Sadang, welke bij eenen voordeeligen oogst + 1200 bossen opleveren, maar in 1906 braak lagen; voorts ornementsbosschen, hoofdzakelijk rotan en kemiri.

Het is uit zeker oogpunt niet te verwonderen, dat de meeste inlandsche staten tuk zijn op hunne vrijheid. Immers de hoofden verliezen, met deze laatste, hunne inkomsten (bestaande in rechten op in- en uitvoer en op dobbelspel, in monopoliën en in den slavenhandel), zonder dat zij tot nu toe eenige vergoeding daarvoor erlangden; zij moeten hunne geweren inleveren en weten dat de zegeningen van

Sluiten