is toegevoegd aan uw favorieten.

Indische reisherinneringen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw vluchtte en zich schuil hield. Bij deze gelegenheid werd de compagnie aangevallen door La Sinrang, een natuurlijken zoon van den vorst. Tot op onze komst te Sawitto was deze oppermachtig in het rijk van zijn vader, die weinig te zeggen had; hij eigende zich vele inkomsten toe en trok er met zijne benden op uit om in de naburige rijkjes te plunderen. De bewoners van Langa bracht hij ook in opstand en verbood hun aan de wegen te werken, terwijl hij zijnen invloed bezigde om eene vervallen versterking aldaar weder in goeden staat te doen brengen. Als natuurlijke zoon had hij geen aanspraak op het bestuur en het was ook in verband hiermede dat hij zich sterk tegen ons teweêr stelde. De bevolking vreesde hem te zeer, om bereid te wezen inlichtingen omtrent hem te geven.

In Kautoe en Bontoe Batoe was het niet veel beter gesteld. Van daaruit was het, dat de Sidenrengers onder Aroe Sereang de beruchte rooftochten in de Toradjalanden begonnen. Na het aan Doeri grenzende gebied vermeesterd te hebben, drong deze noordelijk door tot voor Rante Pao, en bouwde overal versterkingen, van waaruit zijne trawanten menschenroof bedreven. De slaven werden te Enrekang en te Kalosi bij honderden verkocht. Deze aroeng was het die, in 1895, den Zwitserschen ontdekkingsreizigers P. en F. Sarasin in Doeri bij Kalosi het verder noordwaarts trekken in het Toradjagebied verbood; zij mochten niet zien wat daar geschiedde.

Den i6den Februari 1906 werd het bestuur van de Adjateparangsche staten, met uitzondering van Sawitto, opgedragen aan den controleur de Vogel. De oudste bevelvoerende officier van Adjateparang en Maserempoeloe behield het bestuur van Sawitto en van de Maserempoeloe, waartoe behooren Maiwa, Enrekang, Doeri, Batoelappa en Kaissa.

En nu de geschiedenis van de actie. Na het gevangen