Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6.

Voor de berekening van het aantal onderwijzeressen, die, ter verkrijging der gemeentesubsidie, aan een school werkzaam moeten zijn, dient tot grondslag het aantal leerlingen op 15 Januari van het jaar, waarover de bijdrage wordt verleend.

Waar die grondslag ten gevolge van het tijdstip van oprichting der school niet kan worden vastgesteld, geldt het aantal kinderen, dat op den laatsten dag der maand, volgende op die, waarin de school werd geopend, als werkelijk schoolgaande bekend is.

Art. 7.

De regeling der schooltijden en der vacantiën, zoomede het leerplan en de rooster der lessen van de school, moeten zijn goedgekeurd door Burgemeester en Wethouders.

Art. 8.

Onverminderd het bepaalde bij art. 96 van de Wet op het Lager onderwijs, moet ten allen tijde toegang worden verleend en iedere, onder welken vorm ook, verlangde inlichting worden verstrekt aan Burgemeester en Wethouders, aan de leden der Plaatselijke Commissie van toezicht op het Lager onderwijs en aan de ambtenaren, door Burgemeester en Wethouders aangewezen.

Art. 9.

Het bestuur of het hoofd der school is gehouden te voldoen aan aanschrijvingen van Burgemeester en Wethouders ten opzichte van de handhaving van de in de voorgaande artikelen bedoelde voorwaarden.

Is aan eenige aanschrijving ter dezer zake binnen den daarbij door Burgemeester en Wethouders bepaalden termijn niet voldaan, dan kan door Burgemeester en Wethouders een evenredig deel van het geheele bedrag der bijdragen ingehouden worden over den termijn, loopende van de dagteekening dier aanschrijving tot aan den dag, waarop daaraan is voldaan.

Art. 10.

Indien de bijdrage verschuldigd is over gedeelten van een jaar wordt voor de berekening het jaar op 360 dagen gesteld.

Geen bijdrage wordt verleend voor kinderen, die aan het einde van het kalenderjaar, waarvoor de subsidie wordt verleend, den

Sluiten